Zonder ijsvloer wordt het jagen lastig

Klimaatverandering

De ijsbeer krijgt het inderdaad moeilijk, nu er door de mondiale opwarming steeds minder zee-ijs is rond de Noordpool.

IJsbeer rust uit op de rand van het ijs. Het wordt voor deze dieren steeds moeilijker om voldoende vet binnen te krijgen om te voorzien in hun energiebehoefte. Foto Brian Bataille, USGS

Alsof het een dieetadvies uit een glossy betreft: tijdschrift Science kopt vrijdag met de mededeling dat een ‘high fat-lifestyle’ de ijsbeer parten speelt. Niet vanwege een verhoogde kans op hart- en vaatziekten, maar vanwege de energie die hij moet investeren om dat vette voedsel te vangen.

Met regelmaat duiken ijsberen op in het klimaatdebat. In december ging er nog een filmpje van een graatmager exemplaar viral op sociale media. Begeleidende tekst: ‘Dit is zoals klimaatverandering eruitziet.’ Dat de beer in kwestie zo uitgehongerd oogde, had mogelijk een heel andere oorzaak, protesteerden biologen wereldwijd – ziekte of ouderdom. Maar een opwarmend klimaat kán de levensstijl van de ijsbeer wel degelijk bedreigen.

De afname van zee-ijs (zo’n 14 procent per decennium, volgens ander onderzoek) bemoeilijkt de toegang tot zeehonden, en dus tot vette prooien, schrijven de Amerikaanse biologen in Science. Ze onderzochten de energiebalans van ijsberen door hun stofwisseling, hun foerageergedrag en de door hen afgelegde afstanden te bestuderen. Daarbij ontdekten ze dat ijsberen zo’n 1,6 keer meer energie verstoken dan tot nu toe werd verondersteld.

De biologen analyseerden de field metabolic rate (FMR) – de stofwisseling van in het wild levende dieren – van negen ijsbeervrouwtjes in april 2014, 2015 en 2016, op het zee-ijs van de Beaufortzee, ten noorden van Alaska. Dat deden ze door de dieren te injecteren met doubly labeled water: water waarin zowel de waterstof- als de zuurstofmoleculen zijn vervangen door zware, niet-radioactieve isotopen. Via bloedmonsters aan het begin en eind van een 8- tot 11-daagse periode werd de isotopenratio en daarmee de CO2-productie en de stofwisseling achterhaald. Omgerekend verbruikten de onderzochte ijsberen zo’n 12.325 kilocalorieën per dag.

Ook werden de dieren aan het begin en einde van de periode gewogen, en werd er urine afgenomen: een lage ureum/creatinineratio duidt erop dat de ijsbeer lang niets heeft gegeten.

Tegelijkertijd kregen de ijsberen een halsband om met videocamera én GPS. Zo konden de onderzoekers niet alleen hun gemiddelde snelheid (zes ijsberen trager dan 1 kilometer per uur, de andere drie ijsberen sneller) achterhalen, maar ook hun jachtgedrag (90 procent van de tijd zitten en wachten en 10 procent achtervolgen).

Karkassen eten of niets

Op basis van de gemeten FMR’s zou een volwassen ijsbeervrouwtje in de lente gemiddeld één volwassen ringelrob, of drie jongvolwassen ringelrobben of negentien pasgeboren ringelrobjes per tien dagen eten, aldus de onderzoekers. Maar van de ijsberen in het onderzoek verloren er vier minstens 10 procent van hun lichaamsgewicht in de acht tot elf dagen dat ze in de gaten gehouden werden. Zij aten in die periode alleen zeehondenkarkassen, of helemaal niets. Bij één beer was de ureum/creatinineverhouding zo laag dat ze duidelijk al langere tijd aan het vasten was.

De onderzoekers vermoeden dat de gevonden FMR-waarden nog aan de lage kant zijn, omdat de ijsberen de eerste 24 uur nadat ze verdoofd waren en hun halsband omkregen weinig actief waren. Tegelijkertijd zou dat er ook voor hebben kunnen zorgen dat ze minder prooien vingen in de eerste dagen van het experiment: uit ander onderzoek blijkt dat het tot drie dagen na vrijlating kan duren voordat ijsberen weer helemaal op hun oude activiteitsniveau zitten.

De afname van zee-ijs in het noordpoolgebied bemoeilijkt het leven van de ijsbeer op twee manieren, aldus de onderzoekers. Enerzijds zorgt het ervoor dat de dieren grotere afstanden moeten afleggen, wat leidt tot meer energieverbruik. Anderzijds wordt het lastiger om vanaf het ijs zeehonden te vangen, en dus voldoende van de zo belangrijke ‘high-fat’ prooien te nuttigen. Dat bedreigt de voortplanting en het voortbestaan van de soort.