Recensie

Verscheurd door een onzinnige naziwedloop

Peter Keglevic Het boek Hoe ik Hitlers getuige werd, van de Oostenrijkse debutant Keglevic, is niet helemaal geslaad. Heeft de uitgever er goed aan gedaan het toch uit te geven?

Peter Keglevic’ uitgever moet door twijfel verscheurd zijn geweest na het lezen van het manuscript van Hoe ik Hitlers getuige werd. Van stijl noch ideeënrijkdom moet deze roman het hebben, de bijna zeshonderd pagina’s worden gedomineerd door de plot, en die rammelt. Het einde is ook belabberd, bepaald niet de climax die in het vooruitzicht wordt gesteld. De overvloed aan historische details waarmee de schrijver laat zien dat hij zich voorbeeldig heeft gedocumenteerd? IJverig, maar een goede schrijver waakt ervoor zijn kennis te etaleren. En toch is terecht besloten dit boek te publiceren.

In 2015 kijkt een hoogbejaarde Joodse man in New York terug op de hardloopwedstrijd waar hij in de laatste dagen van het Derde Rijk aan deelnam. Onder het motto ‘Wij rennen voor de Führer’ legden de atleten in twintig etappes duizend kilometer dwars door Duitsland af: na aankomst in Berlijn zou de winnaar de eer hebben Hitler persoonlijk met zijn verjaardag te feliciteren.

Dergelijke groots opgezette, met veel propaganda omgeven sportwedstrijden zullen vast werkelijk bestaan hebben, maar natuurlijk niet in een Duitsland dat zwaar gebombardeerd werd en waar geen man gemist kon worden om de geallieerde opmars naar Berlijn te stuiten. Eveneens zeer ongeloofwaardig is dat ik-verteller Harry Freudenthal (blond haar, blauwe ogen: zijn redding) kan deelnemen onder het voorwendsel dat hij een neef van nazi-kopstuk Bormann is en persoonlijk een geheime, zeer dringende boodschap aan Hitler moet afgeven; als men dat zou geloven, zou men hem direct een escorte naar Berlijn hebben verleend.

Ten slotte is het ook absurd dat de reeds in Duitsland aanwezige Amerikaanse troepen, die de macht hebben een einde te maken aan die onzinnige wedstrijd van gemankeerde SS’ers, hem integendeel faciliteren omdat ze het leuk vinden op de uitslag te wedden.

Je kunt die kritiek pareren door te zeggen dat het hier om een schelmenroman gaat die het met de werkelijkheid niet zo nauw neemt – ware het niet dat Keglevic ons de historische werkelijkheid tot vervelens toe inprent. Omdat (de illusie van) realisme er voor de auteur duidelijk toe doet, wringt het dat hij zo’n onwaarschijnlijke intrige opdist; voor het moeizame opschorten van mijn ongeloof werd ik ook nog eens slecht werd beloond, omdat het verhaal als een nachtkaars uitgaat.

Tegenover dit alles staat de verbluffende vertelkracht van de Oostenrijkse filmregisseur Keglevic (1950). Uit zijn onuitputtelijke fantasie is een stroom verhalen en scènes voortgekomen, die hij zo weet te presenteren dat de lezer ze scherp voor zich ziet. Wat daarvan bijblijft zijn niet zozeer de originele, kluchtige scènes waarin hij aan de touwtjes van historische personen trekt (vooral ‘rijksgletsjerspleet’ Leni Riefenstahl moet het ontgelden), als wel de grimmige passages over de Jodenvervolging, die, oneerbiedig gecombineerd met alle schelmenstreken, des te pijnlijker overkomen.

Had die uitgever, overtuigd van zijn debutant, Keglevic dan moeten vragen honderdvijftig bladzijden al te groteske voorvallen en overbodigheden te schrappen? Het zou een ‘netter’, maar ook een gewoner boek hebben opgeleverd, en met zijn gebreken springt dit er wel echt uit.