Recensie

Twee plus twee kan ook vijf zijn

Gideon Samson

Een zebra in de klas, en niemand kijkt op of om. De kinderverhalenbundel Zeb. biedt bevreemding in optima forma. Het absurdisme is gewoon grappig, maar ook fijntjes gedoseerd én dubbelzinnig.

‘Wij houden niet van goedkope grapjes’, zegt de meneer in de winkel, dus daar is Ozzie mooi klaar mee. Hij heeft maar veertien euro en dertig cent. Wil hij dan misschien een tweedehandsje? Of een flauw grapje? Een doordenkertje? Nee, bedankt. Ozzie vraagt: ‘Heeft u anders misschien een mop?’ Een móp, dat blijkt vloeken in de kerk.

Je hebt (in de ogen van handelaars in humor) simpele humor en kwaliteitshumor. De elf verhalen in Zeb., waarvan het verhaal over Ozzie en de grapjeswinkel er één is, horen tot die laatste categorie. Deze grappen zitten meesterlijk in elkaar, verrassen telkens en worden niet uitgekauwd, dit is literatuur en dit blijft leuk.

Dat allemaal dankzij het absurdisme – toch een van de intelligentere humorsoorten – waartoe Gideon Samson (1985) zich bekeerde voor zijn negende boek. Weer iets heel nieuws in het oeuvre van deze immer interessante kinderboekenschrijver, die het zichzelf nooit gemakkelijk maakt. Evenmin in de geniale kinderverhalenbundel Zeb.: dit is géén lekker gek doen. En juist daartoe willen ‘bovenlogische’ verzinsels in kinderboeken nog wel eens leiden. Absurdistenhitserie De waanzinnige boomhut stapelt gekheid op gekheid: behoorlijk vaak leuk, maar ook wel flauw, soms ‘goedkoop’. Alleen kwaliteitsgrapjes hier bij Samson, die zo laat zien wat humor in een kinderboek nog méér vermag dan een giechel.

Niet dat de verhalen in Zeb. enige pretentie uitstralen. Ze bieden volop mogelijkheden om diepere lagen te ontwaren, maar alles wat je nodig hebt ligt in feite al aan de oppervlakte. Samson schreef, in zijn altijd kraakheldere taal, een verzameling verhalen die allereerst gewoon grappig zijn, en echt voor kinderen. Tegelijkertijd doseert hij zijn absurdisme fijntjes – zoals alles in de bundel van de grootst mogelijke verzorgdheid is, tot de vormgeving toe. In een verhaal over de hik springen de woorden soms even uit het gelid en Joren Joshua (1990) debuteert als kinderboekillustrator met oranje platen van groteske vormen, die ook volkomen strak en evenwichtig zijn.

Telkens horen we het verhaal van een andere klasgenoot van Ariane, de zebra die in het eerste verhaal nieuw in de klas komt. Ja, een zebra in de klas – dat vertelt Imara zonder blikken of blozen. Niet dat er meer zebra’s in de klas zitten, of andere dieren, maar er valt weinig over te zeggen verder. Die zebra is er. Het is soms onhandig, met die hoeven, dat zebraformaat, die neiging tot grazen in de pauze. Want denk niet dat álles zomaar kan. Er steekt een antenne voor onlogica omhoog uit Imara’s woorden: ‘Zebra’s zijn heel goed in rekenen. Zegt Ariane.’

Die balans tussen logica en die ene daverende absurditeit die in ieder verhaal uitgelicht wordt, is het geheim van Zeb.: alles is ‘gewoon’, op één ding na. Zo richt Samson onze blik op de logische conventies waarvan we diep doortrokken zijn, op hoe-het-is en hoe-het-hoort en wat er gebeurt als iets daarvan afwijkt. In één moeite door zien we zo met frisse ogen wat we wél logisch en normaal blijven vinden. Bevreemding in optima forma.

Lev houdt zijn spreekbeurt over Bruno, een 46-jarige alleenstaande man die van puzzels houdt. Na afloop mogen de kinderen hem om beurten aaien. In het verhaal van Maximiliaan is twee plus twee geen vier, maar vijf. ‘Onzin’, denkt hij, maar iedereen lijkt om. ‘Die zullen het dan wel weten, hè’, zegt z’n moeder. Uiteindelijk gelooft hij het.

Deze verhalen gaan over iets dat niet kan, omdat het onmogelijk is, onlogisch, of ongebruikelijk. En deze verhalen openen de mogelijkheid dat het wél zou kunnen. Dat we wél van hoofd konden ruilen, voor een uurtje. Dat ‘zelfvliegtickets’ bestonden. Dat we één nacht hetzelfde konden dromen als degene over wie we dromen.

Dat geeft Zeb. een geweldig opmonterend vrijheidsgevoel – iets waar alle absurdistische kinderliteratuur op uit is. Het briljante is dat Samson de conventies en logica ook weer niet geheel overboord gooit, omwille van de bevreemding. Hij toont hun verneukeratieve of gevaarlijke kanten (Maximiliaan ligt wakker van de alternatieve wiskundefeiten), maar blijft dubbelzinnig, echt literair. Soms is het spoor waarop we zitten irritant onontkoombaar: de juf noemt Ariane hardnekkig Zeb., omdat dat ‘op het etiket staat’. Maar soms houden we er werkelijk liever aan vast: de afschaffing van het huilen wordt na acht weken toch weer teruggedraaid. En Ariane zit dan wel in een schoolklas, maar graast ook graag. Dan is ze het gelukkigst.