Opinie

Opgestapte docent Runia: zo kan de universiteit professioneler

Onderwijsblog Eelco Runia, de docent die openlijk ontslag nam, doet voorstellen om door andere financiering en minder controlewerk de universiteit te verbeteren. Deel 2 over zijn vertrek.

ANP PHOTO Peter Wijnands

Het College van Bestuur van mijn universiteit is zo gehecht aan goede omgangsvormen, dat het te kennen gaf dat het ‘niet netjes’ zou zijn te reageren op de analyse die ik hier, in deze krant, twee weken geleden gaf van de toestand van de Nederlandse universiteiten. Dat mijn stuk in andere universiteitssteden druk bediscussieerd werd maakte niet uit: het officiële standpunt was dat mijn artikel een particuliere visie van een particulier individu was. De operatie damage control bereikte op een vrijdag zijn voorlopige hoogtepunt toen het College uit angst voor Maagdenhuis-toestanden de deur van het bestuursgebouw op slot deed en een briefje liet ophangen met de tekst: ‘In verband met een technische storing is de toegang alleen met de druppel (magneetkaart, e.r.) mogelijk’. In een luttel aantal dagen was ik van een gewaardeerd medewerker veranderd in een geval van damage control – om van daaruit nog verder omlaag te tuimelen en de week te eindigen als een technische storing.

Maar hoewel het marginaliseren van alles wat niet tot hoeraverhaal opgetuigd kan worden ontegenzeggelijk deel uitmaakt van de manier waarop universiteiten tegenwoordig bestuurd worden, wil ik me hier concentreren op de vraag hoe de technische storingen waar het Nederlandse universitaire bestel mee te kampen heeft, verholpen zouden kunnen worden. Mijn bescheiden voorstel bestaat uit tien actiepunten. Lenin wist dat tien teveel is, maar zo simpel als zijn ‘brood, vrede, land’ heb ik het niet kunnen houden. Of, nou ja, misschien toch: want mijn plan draait om slechts één ding: REprofessionalisering. Ik geef grif toe dat het soortelijk gewicht van mijn voorstellen nogal uiteenloopt, dat ik me niets gelegen heb laten liggen aan ‘randvoorwaarden’, ‘kaders’ en ‘meerjarenafspraken’ en dat ik, nu ik zelf met de voeten gestemd heb, royaal profiteer van het feit dat ik makkelijk praten heb.

Actieplan zinvol?

Heeft zo’n actieplan zin? Om me heen hoor ik vooral cynisme. Het is waar dat de analyse die ik twee weken geleden gaf allesbehalve nieuw is: Chris Lorenz, Ad Verbrugge, René Boomkens en Rudolf Dekker hebben allemaal geprobeerd de universitaire mammoettanker van koers te laten veranderen – en ik kan niet ontkennen dat hun analyses stuk voor stuk gemangeld zijn tussen verblinde bestuurders en nou-nouende collega’s. Maar uit de honderden mails en berichten die ik ontving, maak ik op dat de nood inmiddels weer wat verder is gestegen – en misschien is, zoals psychiaters dat zo treffend zeggen, de lijdensdruk eindelijk hoog genoeg om werkelijk het een en ander te veranderen. Dus leek het me de moeite waard mijn pas verworven vrijheid te benutten en vrolijk en onbevangen vast te stellen wat me ervan had kunnen weerhouden ontslag te nemen.

Maar laat ik om te beginnen nog een keer van de daken schreeuwen dat het kernprobleem van de Nederlandse universiteiten en in het bijzonder de Letterenfaculteiten de sluipende deprofessionalisering is. Mijn stuk van twee weken geleden is aangegrepen om van alles en nog wat te beweren over internationalisering, verengelsing en werkdruk, maar ik denk dat het een strategische fout is die issues centraal te stellen. Wat internationalisering betreft: ik heb aan de universiteit nog nooit iemand ontmoet die daar tegen is – wat geen kunst is, want iedereen verstaat er wat anders onder. Voor mijn eigen College van Bestuur is het de onzalige poging voet aan de grond te krijgen in China, voor faculteitsbesturen is het het plan buitenlandse studenten geld in het laatje te laten brengen en voor stafleden is het de mogelijkheid over de grens hun licht op te steken. Het spijt me voor de beleidsmedewerker van mijn faculteit die een jaar van haar leven besteed heeft aan een ‘internationaliseringsnota’, maar het is echt beter het niet over ‘internationalisering’ maar over concrete kwesties te hebben.

Welk onderwijs in het Engels?

Een van die kwesties is de vraag welk onderwijs in het Engels gegeven moet worden. Bij het beantwoorden van die vraag blijft tot op heden onderbelicht dat er een misschien niet zeer groot, maar toch zeer wezenlijk verschil is tussen taalafhankelijke en taalonafhankelijke wetenschappen. Mijn eigen vak, geschiedenis, is duidelijk taalafhankelijk: een geschiedenisboek is beter naarmate het minder goed door iemand anders geschreven had kunnen worden. Het lijkt me dat ook in taalafhankelijke wetenschappen zoveel mogelijk in het Engels gepubliceerd moet worden, maar dat het niet aangaat beide soorten wetenschap qua onderwijstaal over een kam te scheren. Tenslotte de werkdruk. Wat ik om me heen zie is dat stafleden – ik zou ze hier met naam en toenaam kunnen noemen - ongezond veel hart voor de zaak hebben – terwijl de zaak ongezond weinig hart heeft voor hèn. Anders gezegd: gedeprofessionaliseerde organisaties als de universiteit parasiteren op een professioneel residu, op een nietsontziende bereidheid ondanks alles kwaliteit te leveren.

Lees ook: Waarom ik ontslag neem bij de universiteit

Ik zag pas goed hoe verregaand de universitaire wereld gedeprofessionaliseerd is toen ik deze week deed waar ik toen ik nog in dienst was geen tijd voor had: de beleidsdocumenten lezen die het keurslijf vormen waaruit ik zojuist ontsnapt ben. Uit wat ik las, bleek zonneklaar dat Chris Lorenz gelijk had toen hij schreef dat in de universitaire new-speak ‘professionalisme’ het tegendeel is gaan betekenen van wat er de essentie van is. Professionalisme is niet langer het commitment dingen te maken of te doen die mooi, nuttig en deugdelijk zijn, en zelf garant te staan voor de kwaliteit daarvan, maar de bereidheid je uit te leveren aan een organisatie die tot in detail voorschrijft wat je geacht wordt te doen. Geheel in strijd met het Academisch Statuut stelt de zeventig pagina’s tellende Nota integrale kwaliteitszorg en kwaliteitsborging van mijn eigen faculteit dat docenten ‘effectief in staat moeten zijn het facultaire onderwijsconcept […] vorm en inhoud te geven.’ En een pagina’s lange uiteenzetting over hoe de Faculteit voornemens is haar stafleden te dresseren eindigt met een zin die ik zou doorstrepen als ik hem in een scriptie van een student zou aantreffen: ‘Toezicht op de kwaliteit van het onderwijs wordt zoals al aangegeven gehouden door de onderwijsdirecteur’.

Corrumperen

Zo brutaal als de beleidsdocumenten zijn, zo prozaïsch ziet deprofessionalisering in de praktijk uit. Het zijn de acht hoogopgeleide en duurbetaalde specialisten die samen de acht parallelgroepen Historische Vaardigheden gaan geven en die in een klimaatbeheerst kamertje overleggen hoe ze kunnen voorkomen dat de een net wat minder lage eisen aan zijn studenten gaat stellen dan de ander. Het is de zweterige sessie met een collega, waarin ik, driftig bladerend in de appendix van een op gebiedende toon gestelde nota, de ‘kerncompetenties’ en ‘leeruitkomsten’ van mijn cursus zo probeer te formuleren dat de visitatiecommissie er veilig overheen zal lezen. En omdat activiteiten als deze voorgeschreven worden door de Nota integrale kwaliteitszorg en kwaliteitsborging, krijgen ze het stempel ‘kwaliteit’. Sociologen noemen het de wet van Campbell, een wet die, vrij vertaald, luidt: hoe waardelozer de criteria zijn waarmee men probeert waardevolle sociale processen in kaart te brengen, hoe meer die criteria dat wat ze geacht worden in kaart te brengen vertekenen en corrumperen.

Een van de redenen dat deprofessionalisering zo’n onstuitbaar proces lijkt te zijn is dat de verschillende partijen – studenten, docenten, managers, ambtelijk apparaat, universiteitsbestuur, toezichthoudende organen – op allerlei punten monsterverbonden aangaan met andere partijen. Een monsterverbond is, anders dan ik vroeger dacht, niet een kwestie van schaal, maar het onder een hoedje spelen van partijen die elkaars natuurlijke ‘vijand’ zijn. Het meest voor de hand liggende voorbeeld is het monsterverbond tussen het ambtelijke apparaat van de universiteit en de visitatiecommissie: zij houden elkaar aan het werk. Maar er bestaan ook monsterverbonden tussen studenten en managers: veel studenten vinden de door hun docenten verafschuwde standaardisatie fijn. Studenten zien niet graag dat hun docent strenger is dan de docenten van parallelgroepen. Wie REprofessionalisatie wil zal moeten afzien van monsterverbonden die vooral of uitsluitend in dienst staan van het eigen deelbelang en het belang van de professie voorop moeten stellen – een belang dat zich in het geval van de universiteiten gelukkig erg simpel laat vaststellen: goed onderwijs en goed onderzoek.

Voorstel

OK, hoe zou de deprofessionalisatie die onze universiteiten teruggedraaid kunnen worden? Ik stel, in tamelijk willekeurige volgorde, het volgende voor:

1. Reductie van de bestuurslaag en ambtelijk apparaat met 50 procent (niet volgens het last in / first out principe, maar wie de meeste dienstjaren als apparatsjik heeft gewerkt eerst).
2. Regelgeving en bestuur volgens het Koetoezov-principe: ‘niets nuttigs verhinderen en niets schadelijks toestaan.’ In Tolstoj’s Oorlog en vrede is maarschalk Koetoezov vooral bezig de ambitieuze en/of geniale plannen van andere generaals te verhinderen – en juist dat minimalisme stelde hem, aldus Tolstoj, in staat in 1812 Napoleon te verslaan. Het Koetoezov-principe zou niet alleen korte metten gemaakt hebben met het megalomane nieuwbouwproject waarmee de Leidse ROC een paar jaar geleden het schip in ging, maar ook met het plan van mijn eigen universiteit om voet aan de grond te krijgen in China.
3. Sturing op zelfsturing.
4. Maximering van het kerncurriculum tot een beperkt aantal cursussen, zodanig dat studenten al vanaf het eerste jaar minstens de helft van hun studiepunten moeten behalen met inhoudelijke seminars.
5. Personeel dat een vaste aanstelling heeft een maximale aanstellingsgrootte van 50 procent geven. De andere 50 procent kan de docent onderzoek doen, waarvoor ze financiering moeten zien te krijgen of de maatschappij in gaan.
6. Alle verticale audit-systemen (zoals visitatiecommissies) afschaffen en vervangen door horizontale. Het complement van dit voorstel is dat collega’s elkaar weer op dingen zouden moeten gaan aanspreken – wat onder de huidige omstandigheden : intercollegiale toetsing,
7. Bestuur door professionals. Het mooist zou zijn een bestuur gevormd door de mensen die er het minste zin in hebben, maar omdat dat misschien een beetje fraudegevoelig is, bestuur door loting. Personen met alleen technische know how, zoals bij mijn eigen faculteit de ‘portefeuillehouder middelen’ maken geen deel uit van het bestuur, maar van de staf van het bestuur.
8. Iedereen die tot een bestuur toetreedt, krijgt een verplichte literatuurlijst over professionaliteit en professionele zelfsturing (die ik desgewenst graag samenstel) Er moet bestuurd gaan worden door mensen die weten wat professionalisatie is, die daar een visie op hebben en willen overgaan tot professionalisering 2.0. De huidige bestuurders hebben geen idee wat daarover sinds Max Weber is gezegd
9. Een op Letteren toegesneden financieringsvorm die ervoor zorgt dat Letteren niet langer bungelt. Een model dat een eind maakt aan de permanente crisissfeer , het permanente geldtekort, de permanente noodzaak tot herstructurerering zodat Letteren niet langer de risée is van de universitaire wereld die wordt gedoogd.
10. Het in ere herstellen van het Academisch Statuut
Voor de Letterenfaculteiten zou daar 11. een verplichte cursus ‘hoe schrijf ik een fatsoenlijk stuk’ bij horen – gegeven door professionele redacteuren.

Eelco Runia is historicus. Hij schreef op 19 januari in NRC waarom hij als universitair docent geschiedenis ontslag nam bij de Rijksuniversiteit van Groningen.