Menno Wigman was dichter met zwart-romantische blik

Necrologie

Dichter Menno Wigman (51) overleed donderdag aan de gevolgen van een hartziekte. Hij gold als een van de geliefdste en invloedrijkste dichters van Nederland.

Menno Wigman op de nacht van de Poëzie in 2014. Videostill Nacht van de Poëzie

‘De dood stond aan mijn autodeur te rukken’, dichtte Menno Wigman, ‘en ik schrok weerloos wakker in een witte zaal’. Hoe de dood plots nabij kan komen, beschreef hij in verschillende gedichten in zijn laatste bundel Slordig met geluk (2016). Zelf had hij ook twee weken lang in zijn ‘eigen graf gekeken’, toen hij door een hartaandoening plotseling in het ziekenhuis belandde. Hij keek ‘zo diep dat ik het haast begeven had’, maar overleefde het. Deze donderdag overleed Wigman toch nog, op 51-jarige leeftijd, aan de gevolgen van de hartziekte.

Wigman gold als een van de geliefdste en invloedrijkste dichters van Nederland. Sinds zijn debuut in 1997, ’s Zomers stinken alle steden, schreef hij nog vier bundels, die lovend ontvangen zijn en meermalen zijn herdrukt en, uitzonderlijk, vertaald in het Frans, Duits en Engels. Voor Zwart als kaviaar ontving hij de Jan Campert-prijs, zijn laatste Slordig met geluk werd deze week nog genomineerd voor de Ida Gerhardt Poëzieprijs. Dichters van de nieuwste generatie noemen hem veelvuldig als de dichter die hen het meest beïnvloedde.

Zwart-romantische inhoud

Wigman flirtte in zijn leven en zijn poëzie met het romantische beeld van het dichterschap: in zwart gekleed, drinkend en ’s nachts levend, maar ook schrijvend en bloemlezend. Hij was pleitbezorger van negentiende-eeuwse Franse decadente dichters, zoals Baudelaire, die hij ook vertaalde. In Wigmans poëzie ging het vervolgens ook over de vergankelijkheid, de liefde, de eenzaamheid, de dood. Met zulke onmodieuze Weltschmerz kon hij misschien eigenlijk niet meer aankomen – maar hij ontkwam er ook niet aan. Liever dan de poëzie te vernieuwen koos hij voor „het uitdiepen van onderwerpen door er zo dwingend en aandachtig mogelijk over te schrijven”.

Lees ook dit interview met Menno Wigman uit 2012: ‘Geen internet. Geen mail. Ik ontvlucht het echt’.

Zijn poëzie was zwart-romantisch van inhoud, ernstig en ambachtelijk, zijn vorm transparant, stijlvast en vormvast, zonder afkeer van rijm of andere klassieke stijlmiddelen: hij noemde zich, ooit drummer in een bandje, „bezeten van metrum”. Zijn stijl maakte de gedichten ook altijd toegankelijk, zonder dat ze aan gelaagdheid inboetten.

In zijn poëzie paste hij de romantische blik toe op het heden, somberte vervatte hij in de hedendaagse ‘droefenis van copyrettes’. Wel waakte hij ervoor als dichter een verheven positie in te nemen, zoals hij schrijft in het gedicht ‘Burger King’: ‘Was er een tijd dat ik hier boven stond,/ mijn mond vol Proust en Bloem, mij hoor je niet,/ niet meer’. Hij maakte echt deel uit van het leven: als dichter voor eenzaam overledenen, bij het project Eenzame uitvaart, als stadsdichter van Amsterdam engageerde hij zich van 2012 tot 2014 expliciet met het wel en wee van de stad. Maar vooral dichtte hij om de tijd te temmen, de dood te bezweren – ook sinds hij zich een „tikkende tijdbom” voelde door zijn hartaandoening. Vergeefs natuurlijk, zoals hij al in ‘Dit niet’ dichtte: ‘De dood verzint van alles, maar niet dit.’

Lees ook over de Eenzame uitvaart: Zij dichten op de uitvaarten waar niemand komt.