Recensie

Geëngageerde Campert vervalt in krantenwerk

Remco Campert

Mijmeringen over de naderende dood van de dichter staan in Camperts bundel naast gedichten over actuele verschrikkingen. Maar mensen tot categorieën versimpelen, is dat nou geslaagd engagement?

In Open ogen gaat Remco Campert (1929) door met zijn gepeins over sterfelijkheid, omgekeerd geformuleerd als: ‘Ik nader mijn dood / die stram op me wacht’. Evengoed ziet hij de verschrikkingen elders in de wereld. Hoe verhoudt Campert zich daartoe?

In ‘Notitie’ neemt de dichter een jongetje waar dat gered is uit een ingestort huis ‘met bommen bestookt / door Assads moordenaarstroep’. Hij besluit: ‘dit gedicht helpt hem niet / maar het is genoteerd’. Poëzie kan de wereld niet veranderen, daar is de dichter zich van bewust. De paradox is dat hij blijft schrijven. Hij zorgt ervoor dat de herinnering bewaard wordt, zoals hij in een gedicht over bootvluchtelingen schrijft: ‘hun adem benomen / door wereldpolitiek / alleen de poëzie / leeft hen nog voort’.

Het is twijfelachtig of dat zo zal zijn. Hoewel Campert zo nu en dan verraderlijk eenvoudige details geeft (‘Actuele lijken in de middellandse zee / water diep en ondoorgrondelijk’), is hij als altijd spaarzaam met woorden. Het jongetje uit ‘Notitie’ en de bootvluchtelingen krijgen geen namen. Natuurlijk zijn veel namen ons onbekend en zijn er te veel om op te noemen, maar zo vervallen de slachtoffers tot figuranten. Ze blijven anoniem, wat Campert met de andere kant associeert: ‘ik vervloek de schuldigen / die zijn als altijd anoniem’. Frappant is dan dat hij meermaals Bashar al-Assad noemt, ‘de bedrijver van massamoord’, maar ook de Hongaarse premier Orbán.

Ook formuleert Campert veilig, iets waar hij zich van bewust toont als hij schrijft: ‘vluchteling / het is zo’n veilig woord / je vergeet bijna dat het een mens is / eens vol van het licht van zijn toekomst’. Het mijmerende, Campert eigen, neutraliseert de impact van zo’n woord en versimpelt de positie waar deze mensen zich in bevinden.

Er zijn meer momenten waarop de impact van woorden geringgeschat wordt. Hier en daar herhaalt Campert stereotypen. In het openingsgedicht ‘Zaventem’ worden aanslagplegers gereduceerd tot hun baarden, ‘puur en genadeloos in hun jacht op maagden’. Is dit engagement?

In ‘Credo’, het gedicht waarmee zijn debuut Vogels vliegen toch (1951) opende, dichtte Campert: ‘maar de kranten willen het anders / willen droog en zwart van koppen staan / werpen dammen op en dwingen / rechtsomkeert’. Het is zo jammer dat hij in Open ogen zulk beperkend krantenwerk doet. ‘Hebniks’, over de angst voor de ander, reproduceert de negatieve associaties met ‘hen die uit vreemde streken komen’: men is bang ‘dat ze je veilige huizen zullen betreden / je dochter verkrachten / je hond zullen eten.’

Open ogen is geen stemmingmakende bundel, laat dat gezegd. Eerder is Campert onbeholpen. Wanneer hij zich uitlaat over de verschrikkingen in de wereld, legt zijn mijmerende stijl te weinig complexiteit aan de dag om te laten zien wat het effect van woorden kan zijn. Terwijl zijn eigen positie onverantwoord blijft, voert Campert in sterk gesimplificeerde voorstellingen daders en slachtoffers op als algemene categorieën. Ze vormen het misplaatste decor waartegen Campert over leven, dood, oorlog en schrijven nadenkt. Je vergeet zo inderdaad dat ze mens zijn.

    • Obe Alkema