‘Flex’ drukt lonen, stuwt winsten

Rapport De Nederlandsche Bank Bij flexibilisering van de arbeid blijft de loongroei achter, aldus DNB. De werknemer is de dupe, terwijl de winsten stijgen.

In de kantoortuin van De Stadstuin in Utrecht zijn zzp'ers aan het werk. Het aantal eenpersoonsbedrijven in de vier grote steden is in tien jaar meer dan verdubbeld, van 81 duizend in 2007 tot 165 duizend in 2017. In de rest van Nederland was de groei 79 procent. Foto Robin van Lonkhuijsen/ANP

Het is een van de grote economische vraagstukken van dit moment: waarom stijgen de lonen maar niet echt, terwijl de economie uitbundig groeit en bedrijven mooie winsten maken?

Uit een donderdag gepubliceerde studie van De Nederlandsche Bank (DNB) blijkt: voor een belangrijk deel komt dat door de razendsnelle flexibilisering van de arbeidsmarkt in Nederland.

DNB nam acht bedrijfstakken onder de loep, waaronder de industrie, de bouw, de horeca en de zakelijke dienstverlening. In al die sectoren groeide sinds medio jaren negentig de ‘flexibele schil’ van zzp’ers en tijdelijke krachten. Hoe groter de groei van het aantal flexkrachten in een sector, zo vonden de rekenaars van DNB, hoe kleiner het deel van de totale verdiende koek dat naar werkenden gaat. Een groter deel gaat dan naar winsten van bedrijven.

De DNB-studie gaat over de ‘arbeidsinkomensquote’ (aiq). Deze quote geeft de verhouding weer tussen arbeid en kapitaal binnen het nationaal inkomen. De aiq voor alleen de marktsector was in 2017 72,4 procent, volgens het Centraal Planbureau (CPB). Dat betekent dat de overige 27,6 procent van de verdiensten in de marktsector ten goede kwam aan ‘het kapitaal’, ofwel de bedrijfswinsten. In 1995 lag die verhouding nog fors anders: 81 procent voor arbeid en 19 voor kapitaal.

Ook in zeven van de acht door DNB onderzochte sectoren daalde de aiq. Alleen in de specialistische zakelijke dienstverlening (denk aan organisatieadviseurs) steeg zij iets. „Ruim de helft” van de daling van de aiq in de sectoren samen komt door de groei van de ‘flexibele schil’, zo berekent DNB.

Met andere woorden: hoe meer zzp’ers en tijdelijke contracten, hoe groter de neerwaartse druk op de lonen. Hoe komt dat? DNB vermoedt dat de „belangrijkste reden” de „zwakkere positie” van flexwerkers in loononderhandelingen is. Tussen 1995 en 2011 was gemiddeld 10 procent van werknemers met een flexibel dienstverband lid van een vakbond, voor vaste werknemers lag dit percentage op 24 procent.

Tegelijkertijd, schrijft DNB, „ondermijnt” de groei van de flexibele schil de positie van vaste werknemers. Deze groep moet concurreren met flexkrachten, die over het algemeen goedkoper zijn en makkelijker zijn te ontslaan.

Ook globalisering en technologie drukken de arbeidsinkomensquote, een trend die ook waarneembaar is in andere westerse landen als de VS en Duitsland. Het past in de door econoom Thomas Piketty aangezwengelde discussie over inkomens- en vermogensongelijkheid. Maar Nederland kent de flexibilisering van de arbeidsmarkt als bijzondere factor in de lagere aiq, stelt DNB. Die flexibilisering verliep hier sneller dan elders. Sinds 2003 nam het aantal vaste banen af met krap 480.000, meldt het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Het aantal flexibele banen steeg juist met 1,3 miljoen.

Lees ook: Is flexwerk nu wel of niet goed?

Zo bezien is het niet vreemd dat de lonen maar niet echt willen aantrekken, ondanks de scherp gedaalde werkloosheid (4,4 procent in december). Al jaren blijft de loongroei achter bij de economische groei. Het contractloon bij bedrijven steeg volgens de decemberraming van het CPB met 1,6 procent in 2017. Het bruto binnenlands product groeide twee keer zo hard.

FNV voelt zich gesteund

DNB-president Klaas Knot zelf pleitte, net als veel politici, herhaaldelijk voor loonsverhogingen. Maar het onderzoek van Knots instituut suggereert dat eerst de flexibilisering van de arbeidsmarkt moet stoppen. Dat is ook de conclusie die vakbond FNV trekt uit het DNB-onderzoek. Voorzitter Han Busker zegt in een verklaring dat het kabinet de zaak verergert: „Doordat dit kabinet het vaste contract minder vast wil maken, wordt de positie van de werknemers juist verzwakt.” Volgens VCP, vakcentrale voor professionals, moet het kabinet „serieus paal en perk stellen aan de doorgeslagen flexibilisering”.

Correctie (2 februari 2018): in een eerdere versie van dit bericht werd gesproken over de ‘vakbond VPC voor hoger opgeleiden’. Dat moet zijn (en is hierboven verbeterd) VCP, vakcentrale voor professionals.

Hoogopgeleide vrouwen met een tijdelijke of flexibele aanstelling worden minder snel moeder dan vrouwen met een vast contract. Lees ook: Dilemma voor de flexwerker: baan of baby?
    • Mark Beunderman