Recensie

Er bestaat niet één objectief verhaal

Julian Barnes

Een man kijkt terug op zijn leven en geliefde. Is dat wat hij zichzelf en anderen daarover heeft verteld eigenlijk wel betrouwbaar?

Illustratie Paul van der steen

Iedereen heeft zijn liefdesverhaal, houdt Susan haar minnaar Paul voor, iedereen, ook die uitgebluste stellen die je soms ziet. Waarom zijn die nog steeds bij elkaar? ‘Niet alleen maar uit gewoonte, of zelfgenoegzaamheid, of conventie. Het is omdat ze ooit hun liefdesverhaal hebben gehad. Dat heeft iedereen. Het is het enige verhaal.’

Naar dat verhaal heeft Julian Barnes (1946) zijn nieuwe roman genoemd. In Het enige verhaal kijkt de bejaarde jurist Paul terug op zijn leven, en in het bijzonder op zijn relatie met Susan. Terugkijkende mannen zijn we eerder tegengekomen bij Barnes. Ook in zijn succesvolle roman Alsof het voorbij is was sprake van een oudere man die terugdenkt aan bepaalde episoden uit zijn leven. En zo’n Barnes-personage doet dat peinzend en onderzoekend, alsof zijn verleden bestaat uit voorwerpen die hij van alle kanten bekijkt, terwijl hij ze één voor één door zijn handen laat gaan; niet alle objecten zijn zoals hij ze zich herinnert.

In Alsof het voorbij is bleek door een late onthulling alles net anders te liggen dan de hoofdpersoon dacht. Barnes’ nieuwe roman hoeft het niet van dergelijke verrassingen te hebben, in Het enige verhaal ligt de spanning onder de oppervlakte, als een ondertoon die zich steeds duidelijker laat horen; en dat maakt het een betere roman dan Alsof het voorbij is. Barnes heeft geen verrassende plots nodig. Zowel in zijn fictie als non-fictie ligt zijn kracht in de toon van zijn vertellers, en de manier waarop die door vragen te stellen de lezers bij hun onderneming betrekken.

Het enige verhaal begint meteen met zo’n vraag: ‘Zou u liever meer liefhebben en meer lijden, of minder liefhebben en minder lijden?’ Waarna Paul, de verteller, toegeeft dat het geen reële vraag is, omdat we het niet voor het kiezen hebben. In zijn relatie met Susan, die tien, vijftien jaar zal duren, ziet hij dan ook de hand van het noodlot. Ze leren elkaar kennen op de tennisclub van het kleine, ingeslapen stadje waar Paul is opgegroeid. Een complicatie: hij is negentien, zij is achtenveertig, getrouwd en moeder van twee volwassen dochters.

Geroyeerd door de tennisclub

Het is een mooie paradox: Paul wil niet bij de wereld van de benepen volwassenen horen, en zijn relatie met de volwassen Susan zorgt ervoor dat hij inderdaad niet in die wereld terechtkomt: beiden worden geroyeerd door de tennisclub, om maar wat te noemen. Benepen is Susan niet: ze spot, ze lacht, ze neemt haar eigen generatie niet al te serieus. Bovendien heeft ze geld, zodat ze met z’n tweeën in Londen kunnen gaan wonen. Maar daar gaat het mis, omdat Susan steeds meer gaat drinken. Susans ontluisterende neergang is hartverscheurend en ontroerend op een manier die je niet vaak bij Barnes tegenkomt.

De Susan op wie hij verliefd werd raakt Paul langzaam kwijt. In een kleine, maar belangrijke scène maakt Susan zichzelf onzichtbaar door met haar bloemenjurk op een divan met bloemenpatroon te gaan zitten. ‘Ik verdwijn helemaal!’ roept ze. ‘Er is hier niemand!’ Het is een vooraankondiging van wat Paul te wachten staat.

Je leeft met hem mee, en met Susan, maar gaandeweg de roman ga je je steeds meer vragen stellen over Paul, die als verteller de enige bron van dit verhaal is. Voor hem spreken dingen vanzelf waarbij wij vraagtekens zetten. Waarom dringt hij zich het huishouden van Susan en haar echtgenoot binnen? Waarom komen Pauls vrienden daar ook, alsof het een zoete inval is? Waarom gedraagt die bedrogen echtgenoot zich zo ambivalent? Paul legt het niet uit. Ondertussen speelt hij wel met de chronologie van het verhaal en de betrouwbaarheid van het geheugen, komt hij terug op eerder vertelde episodes en zet ze in een ander licht.

Veelzeggend zijn de wisselende perspectieven van waaruit hij zijn verhaal vertelt: hij begint zijn belevenissen in eerste persoon enkelvoud, wanneer de relatie in zwaar weer terechtkomt schakelt hij over op tweede persoon enkelvoud, om te eindigen in de objectiverende derde persoon. Hij neemt kortom steeds meer afstand van zijn verhaal, en van zichzelf. Pas helemaal op het eind, wanneer hij de laatste ontmoeting met Susan beschrijft, is hij weer ‘ik’.

Duidelijke conclusies

Juist omdat Paul de verteller is, krijg je geen goed beeld van hem. Zijn relaas bevat een paar herinneringen waarin hij confrontaties uit de weg gaat. Een bokstoernooi op school, een vriend die in elkaar geslagen wordt waar hij bij staat, Susans echtgenoot die hem aanvalt: als er geweld dreigt, maakt Paul dat hij wegkomt. Zelf lijkt hij geen al te duidelijke conclusies aan deze scènes te verbinden, maar hoe moedig heeft hij zich nu eigenlijk gedragen tegenover anderen en Susan in het bijzonder?

Paul is zijn hele leven op zoek naar citaten over liefde, hij noteert ze, denkt erover na en streept de meeste weer door. Wij denken met hem mee. Toch gaat Het enige verhaal niet alleen over liefde, het gaat ook (en misschien wel vooral) over de verhalen die we erover vertellen, aan anderen en aan onszelf; en over het beeld dat we in die verhalen van onszelf geven. Een objectief verhaal is er niet, lijkt Barnes te willen zeggen, we hebben alleen ons eigen verhaal. En ook dat is niet betrouwbaar. Er mag dan maar één verhaal zijn, helemaal kennen zullen we het nooit. Het is de ironische conclusie van een intrigerende roman.