Recensie

Eeuwig zoeken naar een beter leven

Simon Schama

De emancipatie van de Joden ging eeuwen hand in hand met hun vervolging, beschrijft de Britse historicus Simon Schama. Telkens weer zochten zij veilige thuishavens, ver weg van ‘de oude haat’.

Joodse marskramer in Wenen, omstreeks 1905 Foto Oesterreichsches Volkshochschularchiv/Imagno/Getty Images

Midden zestiende eeuw gold Doña Gracia Nasi als de rijkste en invloedrijkste vrouw van Europa. Ze kwam uit een oude Sefardische familie die als zogenoemde conversos voor de buitenwereld christelijk waren maar in het geheim vasthielden aan hun Joodse identiteit. De in Portugal geboren Nasi bestierde – telkens op de vlucht voor de Inquisitie – eerst vanuit Antwerpen, vervolgens Venetië en uiteindelijk Constantinopel een enorm handelsimperium dat reikte tot in Azië. ‘Wie anders dan zij legde genoeg gewicht in de schaal om zaken af te handelen met wereldlijke en kerkelijke rechtbanken; wie kon de koningen en pausen in de ogen kijken in de wetenschap dat hun glanzende kroonsieraden waren gekocht met nieuw-christelijk goud?’ schrijft Simon Schama (1945) over een vrouw die ongekend kwetsbaar en machtig tegelijk was.

Levensverhalen als deze gebruikt de Britse historicus om eeuwenoude geschiedenis bijna tastbaar te maken in Erbij Horen, het tweede deel van zijn trilogie over de Joodse geschiedenis. In 2013 verscheen het veelgeprezen eerste deel over de periode tot 1492, het jaar dat de Joden uit Spanje werden verbannen. Schama zet de reis voort in de daaropvolgende vijfhonderd jaar, waarbij telkens opnieuw de vraag opdoemt hoe je deel wordt van een samenleving zonder je eigen identiteit kwijt te raken.

Telkens opnieuw schetst hij een tijdsbeeld, mede aan de hand van bekende of juist onverwachte personages in tot de verbeelding sprekende scènes. Zoals de ontmoeting in het China van 1605 tussen Matteo Ricci, een Italiaanse missionaris, en ‘een man van middelbare leeftijd, gekleed in de lange zijden jas en het mutsje van een mandardijn’.

Dat blijkt Ai Tian te zijn, rabbijn van een eeuwenoude Joodse gemeenschap in Kaifeng, compleet met een gebedshuis in Confuciaanse bouwstijl, maar afgesneden van Joodse gemeenschappen elders in de wereld. ‘In plaats van het stereotype van de eeuwige gevaarlijke buitenstaander, niet in staat tot assimilatie, bevestigde de Chinese heerser hoe natuurlijk het was dat een Chinees en een Joods leven konden samengaan’, schrijft Schama. Volledig kansloos probeert Ricci Ai Tian en de zijnen te bekeren.

Dokwerkers

Het is een van de verhalen over plekken waar Joden een veilige thuishaven vonden, zoals ook het zeventiende-eeuwse Amsterdam. Daar waren synagogen ‘integraal deel van de buurt en deel van de stad, wat ook de reden was dat toen in 1941 de nazi’s begonnen met hun razzia’s, niet-Joodse buren, dokwerkers en andere arbeiders hun leven riskeerden door te staken’, schrijft Schama, die daarmee een wel zeer geïdealiseerd beeld schetst. Joden werden in de Republiek weliswaar getolereerd, maar dat betekent niet dat zij volledig geaccepteerd werden door de Nederlandse samenleving. Zo mochten Joden geen lid worden van gilden. Ook nadat zij in 1796 burgerrechten kregen, bleven belangrijke economische en sociale beperkingen bestaan.

Toch word je als lezer steeds weer meegesleept door Schama’s vertelkunst, zoals bij het verhaal van de Duitse filosoof Moses Mendelssohn die symbool staat voor de Haskala, de Joodse verlichting, of bij de geschiedenis van Jacob Rodrigues Pereire, de eerste dovenleraar in achttiende-eeuws Frankrijk.

De meest indringende politieke en maatschappelijke context schetst Schama in de twee laatste hoofdstukken. Daarin beschrijft hij hoe in de tweede helft van de negentiende eeuw grote aantallen Oost-Europese en Russische Joden naar grote steden in Midden-Europa en de Verenigde Staten vluchten, voor pogroms, discriminatie en uitzichtloze armoede. In Wenen groeit de Joodse bevolking van enkele duizenden naar 175.000. Boedapest krijgt de bijnaam Judapest met 150.000 Joden en ook in steden als Warschau en Berlijn groeit de Joodse bevolking expansief.

De reeds aanwezige, goed geïntegreerde Joodse gemeenschappen ervaren hun komst geregeld met gemengde gevoelens. ‘De Ostjuden die nu arriveerden en op luide toon Jiddisj spraken, hevig gesticulerend, al te nadrukkelijk aanwezig, brachten de Europese Joden met hun geklede jassen en hoepelrokken, die Duits, Engels, Frans, Hongaars of Russisch spraken en Poesjkin of Schiller lazen, soms ernstig in verlegenheid’, schrijft Schama.

Napoleon

De Franse Revolutie had Joden gelijke rechten gegeven en Napoleon had overal waar hij kwam de getto’s afgeschaft. Toch bleek de toekomst opnieuw onzeker. Joden omarmden de moderniteit, zeker ook in Duitsland waar Joden aanzienlijk geassimileerd waren, maar ’de oude haat’ vanuit de omringende samenleving bleek allerminst verdwenen, schetst Schama op meeslepende wijze.

Toch dringt zich in de loop van het boek een ongemakkelijk gevoel op bij de vele bijzondere verhalen over opmerkelijke persoonlijkheden. Het dagelijkse, onopvallende leven van de gewone Joodse massa blijft in een groot deel van het boek onderbelicht. Schama laat weliswaar soms ook personen uit lagere Joodse klassen de revue passeren, maar dat zijn vooral mensen met een spectaculair levensverhaal, zoals bokskampioen Daniel Mendoza, die zich in de achttiende eeuw uit een Londense sloppenwijk wegvocht. Daardoor wordt geregeld een onvolledig tijdsbeeld geschetst.

Bovendien bewandelt de Britse historicus soms zoveel zijpaden dat je als lezer de weg kwijtraakt, zoals wanneer hij een wel erg lange rij rabbijnen en mystieke figuren ten tonele voert in de ontstaansgeschiedenis van het chassidische, ultra-orthodoxe jodendom in het Polen van de zeventiende en achttiende eeuw. Je vergeeft het hem omdat Schama je vervolgens in vrijwel ieder hoofdstuk uiteindelijk terugleidt naar een prachtige slotakte.

Jeruzalem

In het laatste hoofdstuk werkt Schama toe naar de Dreyfus-affaire en schetst hoe die de Weense journalist Theodor Herzl, grondlegger van het zionisme, sterkt in de overtuiging dat Joden alleen een veilige toekomst hebben met een eigen land. Aan het slot van het boek kijkt Herzl mijmerend uit over Jeruzalem. ‘Het zou een gebied moeten worden alleen voor wandelaars, pelgrims, gelovigen van werkelijk elke godsdienst. Niet iémand maar iederéén zou het voor het zeggen hebben, en hun heiligdommen zouden worden onderhouden’, reconstrueert Schama Herzls gedachten, die daarop een ‘allegretto van zijn polsslag’ voelt. Het is een vooruitwijzing naar de hartaanval waaraan Herzl niet lang daarna zou sterven, maar ook naar de gebeurtenissen in de daaropvolgende eeuw die in gruwelijkheid en intensiteit alle voorgaande jaren zouden overtreffen. Die zullen in beeld komen in het derde en laatste deel van Schama’s epische trilogie.

    • Maurice Swirc