‘Eerlijke’ dobbelsteen komt laat in de geschiedenis

Archeologie

Het dobbelspel was vooral in de Middeleeuwen erg populair. De gokkers wierpen toen met andere stenen dan nu.

Romeinse dobbelsteen, uit Fectio (fort Vechten). Foto RMO

Al sinds de Romeinse tijd werd de kubusvorm van dobbelstenen geleidelijk regelmatiger, maar pas in de achttiende eeuw werden de dobbelstenen écht symmetrisch. Waarschijnlijk was daarbij de rond 1660 door Blaise Pascal uitgevonden kansberekening beslissend. Daardoor rees het inzicht dat de uitkomst van de dobbelsteenworp niet het gevolg was van de ‘voorzienigheid’ of het ‘noodlot’. Precieze symmetrie van de dobbelsteen werd toen voorwaarde voor eerlijke kansen.

Dit schrijven twee antropologen, Jelmer W. Eerkens (University of California, Davis) en Alex de Voogt (Natural History Museum New York), in een uniek overzicht van de Nederlandse dobbelsteengeschiedenis. Opvallend is dat de Romeinse stenen zelfs met het blote oog duidelijk onregelmatig waren: 90 procent had afwijkingen groter dan 5 procent. Na 1450 was nog slechts 40 procent zó onregelmatig.

Lees ook over de oudste bordspellen ter wereld: De race naar het laatste vakje

Loden Romeinse dobbelsteen, gevonden in Leicester. Foto Wendy Scott / Wikipedia

In hun vorige maand gepubliceerde artikel in Acta Archaeologica hebben Eerkens en De Voogt in totaal 110 Nederlandse kubusvormige dobbelstenen met duidelijke dateringen en vindplaatsen geanalyseerd. De dobbelsteen werd hier door de Romeinen geïntroduceerd. Uit de vroege middeleeuwen zijn weinig dobbelstenen teruggevonden, maar in de hoge middeleeuwen (1100-1450) was het dobbelspel zeer populair. Daarna wordt het verdrongen door kaartspelen en loterijspellen.

Er zijn in Nederland wel meer dobbelstenen dan de onderzochte 110 teruggevonden, maar daarvan is de datering of herkomst onduidelijk. De antropologen beperkten zich ook tot kubusvormige, want er zijn ook afwijkende vormen zoals de in de Nederlandse vroege middeleeuwen populaire ‘vierzijdige’ Westerwanna-stenen: een vierkant balkje met afgeronde uiteinden en getallen op de vier lange zijden.

Een andere opmerkelijke uitkomst was dat de dobbelstenen juist tussen 1100 en 1450 bijzonder op elkaar leken, ervoor en erna was de variatie groter. De indeling van de getallen was anders: niet 1-6, 2-5 en 3-4 tegen over elkaar (de ‘zeven-indeling’) maar 1-2, 3-4 en 5-6 (de priemgetal-indeling, naar de optelsommen 3, 7 en 11). Romeinse en modernere stenen volgen wel doorgaans het zeven-systeem. Ook hebben de middeleeuwse stippen één ringetje.

Middeleeuwse dobbelsteen uit Nijmegen. Foto Acta Archaeologica

In de Romeinse tijd heeft de stip meestal twéé ringen en na 1450 helemaal geen ringen meer. Voor een deel is die opvallende middeleeuwse standaardisatie (ook in grootte) ontstaan doordat 31 van de 46 onderzochte stenen uit die tijd afkomstig zijn uit één vondstin Amersfoort, uit de veertiende eeuw, waarschijnlijk zijn de stenen toen opgeveegd en weggegooid na een jaarmarkt. Maar het patroon bestaat ook bij veruit de meeste andere Nederlandse stenen. Ook bij Engelse stenen uit dezelfde tijd is dit ‘standaard-type’ dominant. Het kan zijn ontstaan door productie in een relatief klein aantal werkplaatsen, maar het kan ook een gevolg zijn van de grote populariteit van het dobbelspel in deze tijd, zo opperen de onderzoekers. Mensen wilden spelen met ‘bekende stenen’. Met hun onderzoek hopen de onderzoekers bij te dragen aan een betere datering van archeologische vondsten met daarin dobbelstenen maar ook aan toekomstige culturele analyses van hoe verschillende spellen zich door Europa verspreidden.

Een bak met moderne dobbelstenen, in kubusvorm, als tienzijdige dobbelsteen, maar ook als tetrahedron, octahedron, dodecahedron en icosahedron (met respectievelijk 4, 8, 12 en 20 vlakken). Foto Nick Quaranto / Flickr