Recensie

De ‘witte hadji’ Snouck als avonturier

Christiaan Snouck Hurgronje

Deze islamoloog en arabist was een van de eerste westerlingen die doordrong in Mekka. Later streek hij voor onderzoek neer in Java en Atjeh. En steeds weer schreef hij voorbeeldige etnografieën.

Boven: Snouck Hurgronje in Mekka. Hiernaast: Litho van de Ka'aba, naar een foto van Snouck. Foto's Universiteitsbibliotheek Leiden

Philip Dröge heeft een scherp oog voor intrigerende, weinig bekende stukjes geschiedenis dicht bij huis. Dat bleek eerder uit zijn boeken Moresnet (2016), over dat vergeten buurlandje van Nederland, en De schaduw van Tambora (2015), een huiveringwekkend verhaal over de vulkaanuitbarsting van 1815 in Nederlands-Indië. Met Pelgrim, een biografie van de Leidse islamoloog en arabist Christiaan Snouck Hurgronje, heeft hij alweer een boeiend onderwerp te pakken dat niet is opgenomen in de vaderlandse geschiedeniscanon.

Bij zijn dood gold Snouck Hurgronje (1857-1936) in Nederland als een groot man, wegens zijn verdiensten voor de wetenschap en zeker ook voor de stabiliteit van de kolonie Nederlands-Indië. Omdat hij wetenschappelijk adviseur was geweest van generaal Van Heutsz, de bedwinger van Atjeh, is hij in het postkoloniale tijdperk in een wat minder gunstig daglicht komen te staan.

Zo niet in Leiden, zijn alma mater, waar zijn grote kennis van de islam werd overgedragen op nieuwe generaties studenten. De 150ste verjaardag van zijn geboorte, in 2007, was aanleiding voor een herdenking van deze illustere alumnus, met een tentoonstelling en de eerste Nederlandse uitgave van Mekka, een standaardwerk van Snouck uit 1888. Hij was een van de eerste westerlingen die – in 1885 – wisten door te dringen tot de heilige stad van de islam, verboden gebied voor niet-moslims.

Dat hij zich voor deze gedurfde onderneming bekeerde tot de islam is niet altijd begrepen. Dat hij zijn tocht liet faciliteren door de Nederlandse autoriteiten al evenmin. Het consulaat in Jeddah zat dringend verlegen om informatie over het doen en laten van pelgrims uit Nederlands-Indië tijdens de hadj, de jaarlijkse bedevaart. Die smeedden daar mogelijk opstandige plannen tegen het bewind in Batavia. De consul en zijn superieuren in Den Haag zochten een loyale vaderlander met een diepgaande kennis van de islam en de Arabische taal. En daar was de 28 jaar jonge Snouck, een arabist die in 1880 was gepromoveerd op Het Mekkaansche feest, een studie van de hadj.

Exotisch karakter

In de ondertitel van zijn boek zet Dröge (1967) zijn personage neer als ‘wetenschapper, spion, avonturier’. De lezer krijgt de neiging deze volgorde om te draaien. Dröge heeft Snouck duidelijk niet als onderwerp gekozen om zijn academische merites, maar om diens avontuurlijke levensloop, het exotische karakter van zijn werkterrein en zijn omstreden samenwerking met het koloniale bestuur.

Dröge is een vlot verteller, maar niet heel stijlvast. Soms vereenzelvigt hij zich met zijn personage. Zo is Snouck het hele boek door ‘Christiaan’, als was hij de protagonist van een roman. Als Dröge de besnijdenis van Snouck beschrijft, kijken we mee naar de Arabische barbier en naar de lappen om het bloeden te stelpen. De nadering van Jeddah, als Christiaan zich op het snikhete dek bevindt van het stoomschip Prins Hendrik, wordt al even inlevend beschreven.

Die empathische passages contrasteren sterk met Dröge's analyse van Snoucks drijfveren. Op die momenten blijkt de biograaf een verrassend lage dunk te hebben van zijn held. ‘Hoezeer hij vreemde volkeren en culturen ook interessant vindt, de Indonesiërs en Arabieren blijven voor hem objecten die je kunt bestuderen, geen individuen tegenover wie hij maar enige verantwoordelijkheid voelt. Hij kan heel sociaal en vriendelijk zijn, maar dat is slechts een trucje om zijn onderzoek te vergemakkelijken.’ Daar kan Christiaan het mee doen.

Na het Mekkaanse avontuur verlegt Snouck zijn werkterrein naar het Oosten. In 1888 gaat hij onderzoek doen naar ‘instellingen van de islam in Nederlands-Indië’, het land met de grootste moslimbevolking ter wereld. Eerst verdiept hij zich tijdens een rondreis in de islam op Java, waar hij als ‘witte hadji’, een unicum in die dagen, in hoog aanzien staat.

Maar eigenlijk wil hij naar Atjeh, dat hem in gesprekken met Atjehse pelgrims is gaan fascineren. In deze vrome islamitische landstreek in het uiterste noorden van Sumatra stuit het Nederlandse gezag op taai verzet bij zijn pogingen het oude sultanaat in te lijven bij de kolonie. In 1890 krijgt Snouck toestemming van de gouverneur om onderzoek te doen in Atjeh. Na een verblijf van een half jaar concludeert hij dat er in het rebelse gebied twee groepen machthebbers zijn: de traditionele hoofden (uléëbalang) en de machtige schriftgeleerden (ulama). Zij hebben niet dezelfde belangen. Zo schaadt de vooral door ulama geleide guerrilla de peperexport van de hoofden. Snouck adviseert toenadering te zoeken tot de laatste en de legertjes van de ulama juist ‘hard te slaan’.

Zijn conclusies stuiten aanvankelijk op weerstand in Batavia, maar in 1898, na een uitputtende en uitzichtloze guerrillaoorlog van meer dan een kwart eeuw, doet de militaire gouverneur van Atjeh, Van Heutsz, een beroep op Snouck. Hij wordt diens ‘wetenschappelijke adviseur’. Als de nieuwe eeuw aanbreekt, is het verzet op zijn retour en kiezen steeds meer hoofden de kant van Nederland.

Gekonkel in de kolonie

Dröge besteedt veel pagina’s aan het politieke gekonkel in de kolonie en de behendige manier waarop Snouck daarop inspeelt om zijn onderzoeksagenda uit te kunnen voeren én het beleid te beïnvloeden. Maar de wetenschapper Snouck Hurgronje komt er bij Dröge wat bekaaid vanaf. Hij noemt diens grote boeken – Mekka (1888), De Atjehers (1893-94) en Het Gayoland en zijn bewoners (1903) – in het nawoord diens ‘meest waardevolle erfenis’. Toch maakt hij niet duidelijk wat de wetenschappelijke betekenis van zijn hoofdpersoon is geweest.

De genoemde boeken zijn voorbeeldige etnografieën. Zo schetst Snouck een onthullend beeld van het pre-Saoedische Mekka, bestuurd door Hasjemitische sjarifs en Turkse pasja’s, waar de ‘buren van Allah’ (de Mekkanen) de ‘gasten van Allah’ (de pelgrims) schaamteloos uitzuigen. De heterodoxe islam van Atjeh, waarin soennitische, sji’itische en pre-islamitische tradities waren verweven, was nooit eerder zo compleet beschreven. En het bergvolk van de Gayo in het binnenland van Atjeh was nimmer door een westerling bezocht, laat staan beschreven.

Lang voordat veldonderzoek gewoon werd, leerde Snouck de talen van de gemeenschappen die hij bestudeerde, ging hij er wonen en vormde hij zich een beeld uit eigen observaties en gesprekken. Snouck beschikte over een uitzonderlijk waarnemingsvermogen en wist snel door te dringen in de sociale mechanismen en machtsverhoudingen van samenlevingen die hij nooit eerder had bezocht.

Dat Dröge ‘duikt in het vergeten leven’ van Snouck, zoals te lezen is op de achterflap van Pelgrim, gaat wat ver. Een belangrijk deel van dat leven, dat een derde van deze biografie beslaat, is Snoucks verblijf in Jeddah en Mekka. Die episode is al in 2007 uitvoerig beschreven aan de hand van nieuw archiefonderzoek door de Leidse arabist Jan Just Witkam. Hij schreef een inleiding van 175 pagina’s bij zijn vertaling van Snoucks Mekka, het Duitse origineel uit 1888. Dröge zegt in zijn nawoord alleen dat Witkam deze editie ‘zeer zorgvuldig heeft geannoteerd’.