Column

Ballenbak

Heeft u weleens in een ochtendjas op veel te grote nep-Uggs door de Pijp in Amsterdam gelopen? Met krulspelden in, of een feesthoedje op? Ik wel. Een paar keer per week word ik thuis opgehaald en naar een locatie gebracht om daar te wachten. Soms wacht ik in een weiland, soms op een industrieterrein, soms in een drukke winkelstraat. Vandaag doe ik het op de Zuidas. Ik passeer de collectie gebouwen weleens op de snelweg. Er gaat nooit enige aantrekkingskracht van deze plek uit voor mij. Het is als een bestemming die ver aandoet terwijl je er zo heen zou kunnen.

Ik ben hier omdat ik er tussen het wachten door film. Filmen is met een hele groep leuke mensen, bussen, karretjes, lampen, partytenten, gasbranders, broodjes en warme thee in het openbare leven neerstrijken om daar in korte stukjes het leven te simuleren. Maar dan kunstig uitgelicht. Gestructureerd buiten spelen. Tussen ‘Actie!’ en ‘Gestopt!’ zitten voor acteurs overzichtelijke minuten. ‘Irritatie na die en die zin, een opwellende traan als hij dat zegt, niet vergeten je tas met je rechterhand te pakken en loop halverwege van de gele naar de roze sticker en laat dan zien dat je een plannetje hebt.’

Je vergeet terstond je lekkende dak, dat je jezelf mislukt voelt als sociaal mens, de opmerking van dat zure wijf in de winkel met duur fruit, je bevroren voeten, je jeugd, al die mails die je moet beantwoorden en dat je leven je voorkomt als een huis dat van natte sponzen is gebouwd. Tijdens het wachten komt dat wel weer terug, maar ik kan het werk evengoed iedereen aanraden.

Een collega-actrice verloor onlangs het vod dat ooit een hondje was waar ze al haar hele leven mee duimde

Het wachten mag vandaag in café De Blauwe Engel. Daar ben ik op de veel te grote nep-Uggs in drie lagen thermo, een dikke wollen trui, een isolerend giletje en een winterjas met een gigantische rugzak op mijn rug voorovergebogen naartoe gesjokt. Omdat mijn armen wijd uitstaan door al die lagen, als een teddybeer, kon ik mijn Bob Ross-fleecedekentje onder een arm klemmen zonder hem echt vast te hoeven houden. Nog zo’n voordeel van acteur zijn; als je even niet van sticker naar sticker loopt terwijl je je voorstelt een ander mens te zijn, kun je gerust met voorwerpen rondslepen die troost bieden. Kleeft wel een risico aan; een collega-actrice verloor onlangs het vod dat ooit een hondje was waar ze al haar hele leven mee duimde.

Binnen is het warm en schalt ook nog eens ‘Keep The Fire Burning’ door de speakers. Mannen in pakken, vrouwen op hakken. Volwassenen denk ik. De mannen praten met grote armgebaren, vrouwen lachen bekoorlijk. Ik stik. Ik pel wat lagen af en zie een nepwimper op mijn wang landen. Als ik hem weg probeer te halen blijft hij aan mijn vinger plakken. Aan mijn telefoon. De tafel. Ik probeer hem weg te blazen. „Kan ik u iets te drinken inschenken?” Achter mij lachen mensen. Zouden ze de rijen nephaar die op mijn hoofd geklikt zijn zien zitten? Zal ik ze zeggen dat het maar een spel is? Mag je een wens doen met losgelaten nepwimpers? Ik wens dat ik snel weer opgehaald word om naar de ballenbak te gaan.