Opinie

    • Marcel van Roosmalen

Vrienden

In het nieuwe dorp woonde nog een Vitesse-supporter. Ik wist van zijn bestaan, natuurlijk wist ik van zijn bestaan want in tegenstelling tot in de stad blijft niets hier verborgen. Alles wordt gezien en beroddeld, de troep komt altijd bovendrijven. Zelf wist ik ongevraagd ook al van alles over mensen die ik niet kende.

Er was er dus nog een, hij had een geel-zwart vaantje in de wagen en sloeg geen thuiswedstrijd in Gelredome over. Hij kende me als schrijver van drie kutboeken over zijn favoriete club. Hij was al naar me op zoek geweest, maar dorst niet aan te bellen, wist ik van de bakker. Andersom hoefde ik hem niet per se te ontmoeten, maar dat het ging gebeuren stond wel vast.

We troffen elkaar bij de groenteboer, een man die zijn ham-preisalade met blote handen in plastic bakjes stopt.

Het was een beetje als met Nederlanders in een ver land, je herkent elkaar. Meteen dat zwartgallige wat Arnhemmers zo leuk, maar niet per se gezellig maakt.

„Wat doe jij dan hier? Dit is AZ-land hoor.”

Antwoord niet afwachten, meteen over jezelf beginnen. Zijn leven: vrouwtje tegengekomen, getrouwd, verhuisd, drie kinderen, gescheiden, nu in een appartementje aan de Zaan, op zaterdag trouw naar Vites en daarna aan het bier.

Had ik ook zo’n hekel aan de Vomar in het dorpscentrum?

Hij wel.

Je kreeg bij de Vomar AZ-zegels bij de boodschappen. Een volle spaarkaart was goed voor 50 procent korting op een toegangskaartje voor wedstrijden van AZ. Drie keer raden wat hij had gedaan nadat Vitesse vorig jaar ten koste van AZ de bekerfinale had gewonnen.

„Rondjes over het parkeerterrein daar gereden. Toeteren, jong.”

Hij had in dezelfde flat in Presikhaaf gewoond als waar ik in was geboren. Bij Kapper Kniest, de zaak waar ze mijn vader ooit in het oor knipten, kwam hij vroeger ook vaak. Iedereen hetzelfde kapsel: van achteren opscheren, bovenop wat langer, een beetje als Edward Sturing het altijd had. Broodje TipTop op de Korenmarkt, op vrijdagavond happy hour in Dingo’s.

„Welke school zat jij?”

Niet ook nog dezelfde school, dacht ik.

Het was alsof er een verstikkende deken over ons heen werd getrokken, ik begon op te zien tegen de onvermijdelijke tweede ontmoeting die steeds dichterbij kwam. Hij ging naar alle thuiswedstrijden, ik mocht meerijden.

„Delen we de benzinekosten.”

Thuis zei ik dat ik in ons rustige dorp iemand uit Arnhem was tegengekomen en dat ik bang was dat we nu vrienden waren.

Marcel van Roosmalen schrijft op deze plek een wisselcolumn met Ellen Deckwitz.
    • Marcel van Roosmalen