Onderzoeksraad: afspraken met buurlanden bij kernongeval onduidelijk

Bij een ongeval in een kerncentrale zal de samenwerking tussen Nederland, België en Duitsland waarschijnlijk niet goed verlopen. Dat stelt de Onderzoeksraad voor Veiligheid.

Kerncentrale van Doel in België Foto Bram van de Biezen

Amsterdam. Nederland, België en Duitsland zullen bij een ernstig nucleair ongeval in de kerncentrales van Borssele, Doel, Emsland of Tihange waarschijnlijk niet goed samenwerken. Dat stelt de Onderzoeksraad voor Veiligheid in rapport dat deze woensdag is verschenen. Om de gevolgen van zo’n ongeval te beperken, moet die samenwerking worden verbeterd, beveelt de Raad aan.

Het „grensoverschrijdend karakter” van een kernongeval komt „niet in alle nucleaire crisisplannen” goed tot zijn recht, aldus het rapport. Zo wordt er onvoldoende samen geoefend. Ook kunnen bij de bevolking „verwarring en onrust” ontstaan doordat maatregelen ter bescherming tegen straling – schuilen, evacuatie, jodiumtabletten – per land verschillen. Dat houdt verband met per land afwijkende veiligheidszones. In de communicatie wordt bovendien „te weinig rekening gehouden” met verschillen in taal en cultuur. Nederland heeft geen afspraken met België en Duitsland over gezamenlijke besluitvorming bij een kernongeval in de grensstreek.

Volgens de Raad is ook het nodige wél goed geregeld. Zo informeren Nederland, België en Duitsland elkaar zo snel mogelijk als een noodsituatie bij een kerncentrale dreigt. Ook hebben ze toegang tot elkaars stralingsmetingen en technische gegevens, zodat zij hier bij een ongeval gebruik van kunnen maken.

De Raad noemt de kans op een ernstig kernongeval weliswaar klein, maar wijst ook op de „onrust” die „incidenten” bij kerncentrales kunnen veroorzaken bij burgers. Alle incidenten die zich de afgelopen tien jaar voordeden in die centrales, betroffen storingen. De veiligheid was daarbij volgens de Raad niet in het geding. Dat omwonenden zich niettemin zorgen maken, staat „nog te weinig op het netvlies” van autoriteiten. Zo is informatie over incidenten veelal „moeilijk te doorgronden”, uitleg voor burgers „nauwelijks te begrijpen”, en bereikt informatie over vergunningen „niet alle omwonenden”.

Nationale overheden formeren elkaar wel over de vergunningen, maar lokale overheden worden daarbij niet altijd betrokken. Mogelijkheden voor inspraak van omwonenden lopen in de drie landen uiteen.

In Nederland was de afgelopen twee jaar veel onrust, vooral door berichten over mogelijke onveilige situaties in de Belgische centrales in Doel, waar „haarscheurtjes” waren ontdekt, en in Tihange, waar de „veiligheidscultuur” te wensen zou overlaten. In 2016 deed toenmalig minister Schultz van Haegen (Infrastructuur, VVD) de Belgen tot twee keer toe het verzoek beide centrales tijdelijk te sluiten, in afwachting van nader onderzoek. Dat weigerde België.

Staatssecretaris Van Veldhoven (Infrastructuur, D66) is van plan de samenwerking te verbeteren. „We moeten al het mogelijke doen om incidenten bij kerncentrales met grensoverschrijdende gevolgen te voorkomen”, laat ze in reactie op het rapport weten.
Of de Nederlandse, Duitse en Belgische kerncentrales daadwerkelijk veilig zijn, heeft de Onderzoeksraad niet onderzocht.

    • Arjen Schreuder