Je hoeft niet per se reislustig te zijn

Ook een paradijs voelt soms als een ballingsoord. Een essay over het verlangen dat heimwee heet.

Illustratie Lynne Brouwer

Het eiland is prachtig. Op grazige landjes bloeien bloemen, de ingang van een grot is begroeid met druivenranken, de geur van bomen en bloemen vult de lucht, afgewisseld met de zachte bries van zee die een zilte lucht doet aanwaaien. ’s Nachts glijdt vaak een uil geruisloos door het donker. Uit huis klinkt een vrouwenstem, ze zingt terwijl ze bezig is aan een weefgetouw. Het is hier een goddelijke plek, in deze stilte, deze ruimte, dit tintelende licht.

Op een kaap van het eiland zit op een rots een man. Hij kijkt over zee en zucht. Hij ziet er helemaal niet gelukkig uit, hij tuurt in de verte, hij volgt de vlucht van de snelle meeuwen alsof hij zijn ogen achterna wil – en zo is het ook. Niets liever zou hij willen dan de rook te zien opstijgen van zijn eigen huis, waar zijn vrouw woont, waar alles hem vertrouwd is. De buitenlandse liefde heeft al lang alle bekoring voor hem verloren. Hij wil naar huis. Hij wil naar huis. Hij wil naar huis.

Het beroemdste boek uit onze letterkunde, de Odyssee, begint met dit beeld van heimwee. Odysseus, aangespoeld als schipbreukeling op het eiland van de godin Kalypso die hem vertroetelt en met hem wil trouwen, wil alleen maar terug naar waar hij vandaan gekomen is. Hij heeft geen eetlust, geen zin in seks, geen zin in wat dan ook. Hij heeft heimwee.

Het lijkt misschien belachelijk

Het is een verschrikkelijk gevoel, een soort mini-depressie die alles overheerst. De andere omgeving kan objectief mooier zijn, warmer, zonniger, maar dat maakt niet uit. Niets is er vertrouwd. Het is niet thuis, en het enige dat degene die aan heimwee lijdt nodig heeft, is zich thuis te voelen. Zodra men is weergekeerd, ja zelfs al zodra de terugreis ingezet wordt, klaart het gemoed weer op.

Wie heimwee heeft op vakantie, voelt zich makkelijk een beetje belachelijk. De reis is immers maar kortstondig, hij is vrijwillig aanvaard, misschien heb je je er zelfs wel op verheugd. En een modern mens moet willen reizen, reislust is een bijna verplicht persoonlijkheidsattribuut, het getuigt van ondernemingszin en nieuwsgierigheid, van de wens de horizon te verbreden, sociale contacten aan te willen gaan, niet benauwd te denken en te voelen. Ook al lijkt menige reis weinig op een expeditie en spreekt de ‘reiziger’ in het buitenland niemand buiten de hoteleigenaar of de ober, toch hangt om ‘reizen’ de reuk van avontuur en zelfs wel enigszins van noodzaak: thuis zitten is al gauw gezapig en kleinburgerlijk. Reisorganisaties beloven ons spiksplinternieuwe ervaringen en schuwen daarbij de grootste woorden niet: je gaat een ‘droomreis’ maken, waarbij je ‘ultieme’ ervaringen op zult doen, ‘grensverleggend’ zal het allemaal zijn en ‘je mooiste herinneringen’ liggen daarginds nu al op je te wachten om ingepakt te worden. Maar wat de reiziger eigenlijk te zoeken heeft aan dat zwembad bij dat hotel, onder die parasol op dat strand, op de Borobudur waar hij of zij weinig meer over weet dan dat dit de beroemdste boeddhistische tempel van Indonesië is, dat weet de website ook niet te vertellen.

De meeste mensen hebben als kind wel eens heimwee gehad. Het verlangen richt zich dan meestal niet zozeer op het huis, als wel op de moeder: zou je thuis zijn, in je eigen bed, dan was ook je moeder thuis, zij zei je welterusten en niet deze oma oom of nicht die wel iets vertrouwds heeft, maar naar nu blijkt toch vooral in combinátie met je moeder en niet los. Niets is zoals het moet zijn zonder haar, en eigenlijk is leven nu onmogelijk geworden; ontroostbaar snikt het kind dat het naar huis wil.

We beschouwen het als niet erg volwassen om dat gevoel van in de vertrouwde omgeving te willen zijn, vol te houden op latere leeftijd, we moeten, bijna verplicht, juist genieten van het vreemde dat aan een stuk door een verrijkende werking op ons heeft. Maar wat kan iemand zich ver van huis verloren voelen, zozeer dat niets meer prettig is en men zich werkelijk ziek voelt en zich er niet meer toe kan zetten om wat dan ook te ondernemen. Vooral wie alleen op reis gaat kan, soms tot eigen ontzetting, overvallen worden door heimwee, en lusteloos de foto’s opsturen die moeten getuigen van het paradijs waarin men zogenaamd beland is, maar dat aanvoelt als een ballingsoord. Een vertrouwd mens als reisgenoot helpt enorm, menig paar fluistert elkaar bij tegenslag – smerig hotel, vertraging, rotweer – toe dat het allemaal niet geeft zolang we maar bij elkaar zijn en dat is ook wel vaak zo, hoe minder vertrouwd de reisgenoot, hoe makkelijker het heimwee toeslaat.

Wennen aan dat eten en het droge, gele land

Het merkwaardige is dat het woord ‘heimwee’ nu juist afstand schept tot de ervaring die bijna iedereen van groot belang vindt, namelijk je ergens thuis voelen. Heimwee klinkt flauw, maar het zich-thuis-voelen beschouwen we als een groot goed. Ontworteld zijn is ellendig, iedereen begrijpt dat iemand die van huis en haard is verdreven zich ontheemd voelt, en terugverlangt naar alles wat thuis nu juist zo vertrouwd was: de smaak van de koffie, de gladde marmeren trottoirs, de geur van droge etenswaren uit een kelderwinkeltje, de pitjes van de zaden die mensen op straat snoepen, het geluid van kerken en moskeeën, de warme roze schemering als iedereen naar buiten komt en op straat gaat zitten praten, de branderige geur van gegrild vlees, van hete olie waarin vis gebakken wordt, het jengelige geluid van een snaarinstrument, een krijsende vrouwenstem, een veeg dieselolie, natte visnetten, opgedroogd zout – denk aan zo’n mediterraan mengsel van geuren, kleuren, geluiden en mensen, en vergelijk dat met de uitgestorven grijze straat in Alphen aan de Rijn waar de ontheemde nu op uitkijkt terwijl hij of zij gevoelens van dankbaarheid bij zichzelf probeert op te roepen – dan is heimwee ineens heel makkelijk voorstelbaar.

Heimwee is geen bloeiend onderzoeksterrein, want het is officieel geen stoornis. Maar voor sommige mensen is het wel een probleem.

Waarom zou het omgekeerd, als de westerling naar verre streken reist, anders zijn? Het is helemaal niet vreemd dat iemand niet kan wennen aan de smaak van het andere eten, of het droge gele land in gedachten vergelijkt met het sappige groen thuis; hier komt de kat ’s morgens niet miauwend langs de benen strijken en de hete middag duurt wel lang met nergens een bekende en niets gewoon huiselijks te doen. Wat doen we hier eigenlijk? Waarom zijn we hier?

„Oh, to be in England/ Now that April’s there”, dichtte Robert Browning in zijn beroemde gedicht ‘Home-thoughts, from abroad’. Hij beschrijft hoe wie in Engeland is, zou zien hoe de vlier alweer een beetje uitloopt en de vink in de boomgaard zingt: „In England – now!”

Heel dat gedicht is doortrokken van het verlangen om te beleven wat er zo nauwkeurig in beschreven wordt, de zang van de lijster, perenbloesem die uitvalt boven het weiland – waarom zou je niet zonder de aanblik van die perenbloesem kunnen? Maar de nauwkeurige voorstelling van heg, dauw, gras, geur, zwaluwen barst van verlangen. Die frisse wereld biedt zoveel meer dan ‘this gaudy melon flower’, de opzichtige bloem van een meloen, waar de verlanger blijkbaar wél zicht op heeft, daar waar hij is, daar waar het niet Engeland is.

Heimwee is als liefde

Zulk verlangen noemen we liefde als het een ander mens betreft. Zonder de geliefde kan iedereen wel een poosje – al te veel gehecht zijn vinden we niet gezond en kinderlijk – maar het zou ook weer eigenaardig zijn als je je geliefde nooit miste. Daarom vinden mensen het soms wel een goed idee om even van elkaar weg te zijn, of om met vakantie te gaan en van huis weg te zijn: het verlangen laat zien wat je eigenlijk hebt, dagelijks, zonder er veel acht op te slaan. Misschien verveelde je je wel eens, snauwde je tegen degene die nu juist zo goed voor je is. Heimwee is een remedie tegen verlangen en rusteloosheid en leert ons de kunst van het tevreden-zijn. Als men tenminste niet altijd en overal heimwee heeft: „Die te Amsterdam vaak zei: ‘Jeruzalem’/ en naar Jeruzalem gedreven kwam,/ Hij zegt met mijmerende stem/ ‘Amsterdam, Amsterdam…’” schreef Jacob Israël de Haan.

Volgens hoogleraar psychologie Ap Dijksterhuis is reizen juist heel goed: ‘Ook als je het eigenlijk niet durft’

Want met geliefden is het al net als met landschappen, voorjaarsmorgens, en huiskamers: van een afstand, in de verbeelding, krijgen ze een glans die het echte maar zelden heeft. Tijd speelt geen rol in het voorstellingsvermogen, de saaie uren, de druilerige middagen, de supermarkt met zijn rij voor de kassa, de rotklusjes op het werk, ze verdwijnen allemaal naar de achtergrond en maken plaats voor het heimweebeeld: daarin zegt je moeder net iets liefs, daarin zit je aan een slootkant en is alles overweldigend groen en blauw en zonnig, de zwartkopmees zingt of de koekoek herhaalt, zonder daarbij zeurderig te worden, zijn verre zomerroep, en altijd zit je, als je thuis bent, als je thuis zou zijn, aan het eind van de dag heel fijn met de krant aan de keukentafel, altijd heb je plezier in wat je aan het koken bent. De voorstelling van de vertrouwde wereld en de mensen daarin tilt alles uit de tijd en geeft het tegelijkertijd de bijsmaak van ‘altijd’. Net als in Brownings gedicht waarin de lijsterzang verrukkelijk is en waarin wie nu wél in Engeland is, precies dát ziet wat Browning zich voorstelt. Niemand loopt daar vloekend door de regen. Nu. In Engeland!

En zelfs kan Engeland, of elk ander thuis, dat verlangen oproepen om er te zijn terwijl men er is. Heimwee naar het heden. Omdat de voorstelling van het heden sterker is dan het heden zelf, omdat de werkelijkheid altijd zoveel losse eindjes heeft en je er bovendien met je hoofd en hart helemaal niet altijd zo volledig bij bent en zo volledig in opgaat als nodig is voor de vervullende ervaring. Zo kan een mens heimwee hebben naar zijn eigen leven, terwijl het geleefd wordt.

Ach wat zitten wij toch eenvoudig in elkaar. Dat het paradijs altijd daar moet zijn waar wij niet zijn, dat we kunnen geloven dat we er waren, dat we er weer zouden kunnen zijn, alleen NU, nu juist niet.

    • Marjoleine de Vos