‘Mijn hart volgt mijn onderbuik’

Fotografie Michael Wolf is vooral bekend van zijn foto’s van eindeloze muren woontorens. Maar op de overzichtstentoonstelling in het Haagse Fotomuseum worden steeds meer mensen zichtbaar.

Architecture of Density, Hong Kong 2003-2014. Foto Michael Wolf

Als jongetje had Michael Wolf altijd al een hekel aan dat verantwoorde houten speelgoed dat hij van zijn ouders kreeg. Dus toen hij als volwassen man van in de vijftig op een rommelmarkt in Hong Kong – zijn woonplaats sinds 1994 – een grote tas vond met honderden kleurige speeltjes van plastic, dook hij erop af. En dat voor maar 5 dollar! „Ik was als een junk die na dertig jaar clean te zijn geweest, ineens een shot krijgt. Mijn hart volgt mijn onderbuik. Ik móest het hebben!”

Pas daarna ging hij bedenken wat hij ermee zou doen. Op zijn grote overzichtstentoonstelling ‘Life in Cities’ in het Haagse Fotomuseum is het resultaat te zien. Die eerste impulsaankoop uit 2004 is uitgegroeid tot een wandvullende installatie, ‘The Real Toy Story’, met wel 20.000 speeltjes, met magneten gerangschikt rond foto’s van de mensen die deze rotzooi produceren. Sommigen doen een dutje op een kartonnetje onder de werkplek, anderen laten de gevolgen zien: onderbeen eraf, hand eraf. Het speelgoed eromheen blijft onstuitbaar vrolijk.

Dit is Wolfs eerste installatie, een grote stap voor iemand die als fotojournalist begon en pas halverwege zijn carrière vrije fotograaf is geworden. Intussen is hij beroemd geworden met zijn beelden van steden, vooral in Azië maar ook in de VS. De grote, haarscherpe, glanzende afdrukken zijn vaak een schrijnend contrast met de benarde leefomstandigheden die hij erop afbeeldt. Maar dat formaat weerspiegelt tegelijkertijd de reusachtige golf aan verstedelijking die over de wereld spoelt.

Zijn bekendste beelden zijn van eindeloze muren van woontorens: zoals zoveel van zijn werk een langlopend project, van 2003 tot 2014, met de titel Architecture of Density. Geen mens te zien, ook geen horizon, geen hemel, geen straat – na het inzoomen en uitsnijden blijven alleen anonieme, megalomane reeksen over die alleen aan de talloze raampjes als woningen herkenbaar zijn. Het zouden ook kleurige ponskaarten kunnen zijn. Ze hebben een betoverende abstracte schoonheid, behalve als je je voorstelt dat je er zelf zou moeten wonen.

Paris Rooftops, Paris 2014. Foto Michael Wolf

Door de tentoonstelling heen wordt de mens steeds zichtbaarder – alsof hij met zijn opeenvolgende projecten steeds weer een laag afpelt om dichterbij de bewoners van deze megasteden te komen. Nadat hij een hele reeks foto’s had gemaakt van wolkenkrabbers in de schemering in Chicago, Transparent City, ontdekte hij dat er op sommige, héél klein, mensen te ontwaren waren. Een manager die een golfballetje staat te slaan, iemand die zijn middelvinger naar de fotograaf opsteekt nét op het moment dat hij afdrukt.

Nog dichterbij komt hij in zijn reeks 100x100: honderd portretten van mensen in Hong Kong die in sociale woningen wonen van 100 square feet, zo’n tien vierkante meter. Omgeven door varianten op telkens dezelfde klok, kalender, ventilator en rijstkoker kijken de bewoners hem onbewogen aan. De foto doet ze niet zoveel, ze lijken eerder bevangen door zorgen over waar ze in het overvolle Hong Kong moeten gaan wonen, nu dit sociale woningbouwcomplex op het punt staat gesloopt te worden.

Verzameldrift

Het inzoomen op de menselijke kant van het stedelijk leven bereikt zijn apotheose in het project Tokyo Compression. Van 2010 tot 2013 ging hij telkens terug naar hetzelfde perron van de metro om forenzen te fotograferen die in de overvolle metro tegen de ruit worden gedrukt. Net zoals de forens klem zit tussen anderen worden wij als toeschouwer geconfronteerd met de weerslag van de verstedelijking op hun, en ons leven.

Tokyo Compression, 2010-2013. Foto Michael Wolf

Tussen de twee verdiepingen van de expositie staat weer een prachtig staaltje van Michael Wolfs verzameldrift. ‘Bastard chairs’ noemt hij ze: allemaal aftandse stoelen die hij in China van straat heeft geraapt, die met touwtjes en draadjes bij elkaar worden gehouden. Op een houten krukje is een stukje rood tapijt vastgemaakt met repen plastic; op de stoel van de bewaker van een parkeerterrein is met kunst- en vliegwerk een paraplu vastgebonden. Zoals een oud-collega van Wolf in het begeleidende boek zegt: „Hij heeft een voorliefde voor de kleine verhalen die over grote dingen spreken.”

In deze bastard chairs, die hij al sinds 1995 fotografeert, zit de hele dubbelzinnige verhouding van China ten opzichte van het oude en het nieuwe vervat. Die oude stoelen zijn handig, zelfs waardevol: je gaat toch niks weggooien wat met een eenvoudig touwtje te repareren is? Maar om zo’n stoel nu als beeld van China door een buitenlander te laten vastleggen… „Ik kreeg veel moeilijkheden door het fotograferen ervan”, vertelt Wolf. „De Chinezen dachten dat ik ze in de maling nam door die oude meuk te fotograferen. Ga naar het hotel verderop, riepen ze, daar hebben ze mooie nieuwe stoelen!” Hij is twee keer door de politie meegenomen voor verhoor. En één van de stoelen die hij net had gefotografeerd, is daarna door de politie in gruzelementen geslagen: de stoel had China te schande gemaakt. „Maar in zo’n honderd keer gerepareerde stoel zit meer leven en schoonheid dan in al die torenflats waarmee hele nieuwe steden uit de grond verrijzen.”

    • Tracy Metz