Opinie

    • Marc Reynebeau

Het Pronkstuk van Nederland walmt van het nationalisme

Het Plakkaat van Verlatinghe wordt zonder historische context door de Nederlanders toegeëigend, schrijft Marc Reynebeau. Het zegt meer over de nationale trots nu dan over toen.

‘Anno 1581. De afzwering van Filips II’, ondertekening van het Plakkaat; schilderij van J.H. Egenberger uit 1837. Foto Wiki Commons

Het gaat ook ons Belgen aan, maar de Nederlanders hebben het nu voor zichzelf ingepikt: het Plakkaat van Verlatinghe. Vrijdag verkozen ze dat document uit 1581 in een tv-verkiezing tot ‘Pronkstuk van Nederland’. Het kan toch nog niet zo kwaad zijn gesteld met het Nederlandse geschiedenisonderwijs, als die tekst die status kan krijgen. Toch maakt de politiek zich daar zorgen over, vooral over het gebrek aan nationale trots op die geschiedenis – wat iets anders is. Maar ook daarmee zit het wel snor: de keuze voor het Plakkaat walmt van het nationalisme.

Het merkwaardige aan de keuze is dat het Plakkaat van Verlatinghe een tekst is die zonder inspanning vrijwel onleesbaar en amper te begrijpen is. Maar dat deed er niet toe in het tv-referendum. Alleen de toegeschreven symboolwaarde telt, en die is nationalistisch. Dat discours zit er al ongeveer sinds het jaar 2000 in Nederland diep in. De keuze voor het Plakkaat bevestigt dat Nederlanders het nationalisme almaar inniger omhelzen, al lijken ze zich daar maar zelden van bewust – zo alledaags en ‘banaal’ is het geworden.

Het conservatieve magazine Elsevier duidt de tekst als volgt: „Het was de eerste keer dat een volk openlijk en doordacht afstand nam van zijn vorst. Het Plakkaat wordt daarom ook wel de eerste onafhankelijkheidsverklaring ter wereld genoemd.” Veel ‘volk’ was daar nochtans niet bij, notabelen des te meer, maar het past wel in de nationalistische mystiek om het anders te presenteren. ‘Doordacht’ was het pas als een lang radicaliseringsproces buiten beschouwing blijft. ‘Afstand nemen’ is een te zuinige omschrijving, en ‘onafhankelijkheid’ kwam er ook pas later bij.

Zo niet, dan niet

Met het Plakkaat van Verlatinghe zegden de Lage Landen (de Zeventien Provinciën) het vertrouwen op in hun Spaans-Habsburgse koning Filips II. Die beslissing steunde op de traditie van zogeheten keuren of charters, de zogeheten ‘oude constituties’, waarvan de Brabantse Blijde Intrede (1356) wellicht de bekendste is. Bij zijn aantreden maakte elke vorst met de lokale machten een afspraak: hij mocht belastingen heffen, in ruil daarvoor stond hij in voor de militaire veiligheid en moest hij de afgesproken lokale vrijheden of privileges respecteren. Een laat-middeleeuws Spaans charter vatte de voorwaardelijkheid van de trouw aan de vorst kordaat samen als: si no, no. Zo niet, dan niet: als de vorst zich niet aan de afspraken houdt, dan vervalt zijn erkenning als landsheer.

Hoewel er altijd wel conflicten waren, vooral over belastingen, was een ultieme sanctie als het Plakkaat van Verlatinghe zeer uitzonderlijk. In de Nederlanden – toen min of meer het huidige België plus Nederland, min Luik – was al enkele decennia een opstand aan de gang, over religie, maar ook uit verzet tegen het groeiende staatscentralisme van Madrid.

Dat Filips II de wacht kreeg aangezegd, was niet ‘doordacht’ of van tevoren gepland. Maar het kon niet anders meer, toen elk compromis onmogelijk bleek en de koning alleen nog met militaire repressie reageerde. Zijn wanbegrip leidde tot een radicalisering van de Nederlanden.

In ‘zijn’ Wilhelmus (een jaar of tien ouder dan het Plakkaat) wilde opstandelingenleider Willem van Oranje nog altijd geweten hebben: „den Koning van Hispanje heb ik altijd geëerd.” De radicalisering evolueerde van het Wilhelmus, via de Pacificatie van Gent (1576) en de Unie van Utrecht (1579), naar het Plakkaat van Verlatinghe, dat aan die intentie tot ‘eren’ een eind maakte. De auteurs ervan voelden zich ‘verlaten’ door de Spaanse koning en ‘verlieten’ daarom hem – si no, no.

Een goedertieren Prince

In 1581 ging het niet zozeer om ‘afstand nemen’, laat staan om nationale soevereiniteit in de huidige betekenis, zoals de Nederlandse televoting veronderstelt. Want de Nederlanden gingen op zoek naar, dixit het Plakkaat, ‘een ander machtigh ende goedertieren Prince, om de voorsz. landen te helpen beschermen en voor te staen’. Maar in praktijk viel dat tegen. Het lukte niet om een opvolger voor Filips als landsheer te vinden. Ondertussen deelden de militaire feiten de Nederlanden op in twee helften, gescheiden door een bestandslijn, die vereeltte tot wat nu de Belgisch-Nederlandse grens is.

Een onafhankelijke republiek in het noorden was het laatste alternatief; niet omdat het zo was ‘doordacht’, maar omdat de dingen nu eenmaal zo waren gelopen. Bij zijn dood in 1979 was Louis Paul Boon daar, in zijn postume roman Het geuzenboek, nog altijd boos om: de elite, Willem van Oranje voorop, had eieren voor haar geld gekozen. Om haar koopmansrepubliek te redden, had ze het Zuiden overgeleverd aan de Spaans-katholieke dictatuur.

De Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden en het Plakkaat dat er de juridische grondslag aan gaf, trokken internationaal veel aandacht en inspireerden de Amerikaanse en Franse Revolutie, en de opstand in de Zuidelijke Nederlanden van 1789. Een zo grote, zelfstandige republiek stichten was wel degelijk ongekend. En (Noord-) Nederland voelde zich gesterkt omdat het afgedwongen experiment ook aardig lukte. Die republiek kende een groot, mede door vluchtelingen uit het Zuiden opgebouwd economisch succes. Ze beleefde prompt haar Gouden Eeuw. Daar kiemde de idee van Nederland- gidsland, ja, zelfs ‘uitverkoren’ land.

Politieke motivatie

Hoewel het Plakkaat van Verlatinghe ook uit naam van Brabant, Vlaanderen en Mechelen spreekt, eigent Nederland het zich nu per poll exclusief toe. Dat komt mede door een nationalistische wending in het Nederlandse historisch bewustzijn. Ze gaat ervan uit dat de nationale identiteit wortelt in een lange geschiedenis, maar ze construeert dat verleden vanuit een eigentijdse politieke motivatie – en daarin is België irrelevant. Al sinds de mislukte hereniging van 1815-1830 leeft in Nederland weinig nostalgie naar het ‘woelziek Belgenrot’ en het daarmee gedeelde verleden. Van een gezamenlijke geschiedenis van de Lage Landen, waarover E. H. Kossmann nog een lucide synthese (1976) schreef, is al lang geen sprake meer. In een boekenreeks over de Nederlandse geschiedenis zette A. Th. van Deursen de toon door zijn deel over de republiek en de Gouden Eeuw, De last van veel geluk (2004), een zeer klassieke vertelling, te starten met de mededeling dat het gaat over een tijd „die ons alle reden geeft om trots te zijn op ons verleden”.

Lees ook: Onze identiteit, volgens Den Haag

Dat verklaart mede waarom het verleden in Nederland vandaag zoveel emoties oproept. De geschiedenis laat zich niet gewillig plooien naar de nationalistische mythe. Dat bewijzen de discussies over het slavernijverleden en Zwarte Piet, waarmee het allemaal begon. Kolonialisme en slavernij bouwden Nederlands welvaart mee op, maar ze zijn niet erg bevorderlijk om de nationalistische trots op dat verleden te voeden.

En België hoeft niet te vrezen dat het dit Plakkaat nu ‘kwijt’ zou zijn. Voor Nederland telt niet de historische betekenis van de tekst, alleen de symbolische bruikbaarheid ervan vandaag. Voor wat ironie bij een zo bestofte titel als ‘pronkstuk’ bestaat waarschijnlijk al evenmin veel tolerantie.

    • Marc Reynebeau