Een op drie ouders moet grote moeite doen om jeugdhulp voor kind te regelen

Bijna een op de drie ouders van kinderen in de jeugdzorg zegt dat het veel moeite heeft gekost om de juiste hulp voor hun kind te krijgen. Vooral kwetsbare gezinnen – huishoudens met een laag inkomen, eenoudergezinnen – zijn negatief over de toegang tot de jeugdhulp. Dat blijkt uit een enquête onder ruim 900 ouders die deel uitmaakt van de dinsdag verschenen Eerste evaluatie van de Jeugdwet.

Met die evaluatie, verricht in opdracht van het kabinet door onder meer onderzoeksinstituut Nivel en het Sociaal en Cultureel Planbureau, is nagegaan in hoeverre de doelen van de Jeugdwet (2015) zijn gerealiseerd. De wet, die gepaard ging met de overheveling van de jeugdzorg naar gemeenten, beoogt dat gezinnen op maat gesneden, veelomvattende hulp krijgen.

Maar ouders blijken de weg naar die hulp vaak niet te vinden. Veel gemeenten hebben jeugdhulp ondergebracht bij wijkteams, met een bonte mix van zorgverleners die zich buigen over diverse problemen van gezinnen – schulden, verslaving, opvoedproblemen. Wat blijkt: ouders die jeugdhulp willen regelen, kloppen daarvoor 3,5 keer vaker aan bij de huisarts dan bij zo’n wijkteam. Volgens de onderzoekers ligt bij gemeenten een „forse uitdaging” om duidelijk te maken hoe hulp georganiseerd wordt. moet.

Wijkteams

Omgekeerd hebben wijkteams gezinnen, vooral de meest kwetsbare, niet voldoende in het vizier. „Juist bij die gezinnen moeten wijkteams niet afwachten tot ze bij hén aankloppen, maar moeten ze zelf bij hen langsgaan”, aldus hoofdonderzoeker Roland Friele van het Nivel.

Ook de snelheid waarmee hulp komt, laat te wensen over. Bijna een kwart van de ouders van kinderen wier hulp ná 2014 is gestart, zegt dat ze die niet tijdig kregen. En bijna een op de vijf ouders zegt dat zij, of hun kind, eerst minstens vier keer hun verhaal moesten doen.

Tijdige hulp blijkt vooral problematisch bij de ‘gesloten jeugdzorg’, waarbij jongeren vrijheidsbeperkende maatregelen worden opgelegd, zoals de slaapkamerdeur die ’s nachts op slot gaat. Rechters beslissen of die gesloten zorg mag worden gegeven.

Maar al beslissen ze daartoe: de gesloten zorg blijkt vaak helemaal niet beschikbaar. De gemeente waar de jongere woont, blijkt die tak van jeugdzorg vaak niet afdoende te hebben ingekocht. Regionale samenwerking, raadzaam bij inkoop van zo’n relatief dure voorziening, ontbreekt vaak. Dus moeten jongeren wachten. Of ze belanden op een plek ver van huis – verder in elk geval dan de Jeugdwet, met zijn nadruk op ‘zorg dichtbij de burger’, heeft bedoeld.

    • Ingmar Vriesema