Opinie

Wensdenken over de opslag van kernafval is gevaarlijk

Medialogisch gezien was het opmerkelijk dat het nieuws, afgelopen dinsdag, over een belangrijke stap in het dossier ‘kernafval’ tamelijk onopgemerkt voorbij ging. In Leiden presenteerde maandag het staatsbedrijf COVRA, zeg maar de probleemeigenaar, na zeven(!) jaar onderzoek een rapport over de opslag van radioactief afval. De conclusie luidt: dat kan het best in oude kleilagen een paar honderd meter onder de grond. En dat is opvallend omdat opslag in steenzout, zoals zoutkoepels in Drenthe, tot nu toe formeel is beschouwd als de veiligste oplossing. De COVRA spreekt hierbij van „eindberging”, naar voorbeeld van Duitsland, waar de term Endlagerung in zwang is. Veílige eindberging, uiteraard. Want radioactiviteit kan hele samenlevingen bedreigen zoals atoomrampen in bijvoorbeeld Fukushima (2011) en Tsjernobyl (1986) bewezen.

Het nieuws van de veilige eindberging werd voor kennisgeving aangenomen. Dit terwijl in Nederland vanaf de jaren zeventig tientallen jaren een wijd vertakte antikernenergiebeweging actief was. Onder het motto ‘Kernenergie, nee bedankt’ demonstreerden duizenden tegen kerncentrales bij Kalkar, Dodewaard en Borssele. Er kwam, in 1981, een Brede Maatschappelijke Discussie (BMD) onder leiding van jonkheer De Brauw. Uitkomst: de samenleving wilde af van kernenergie. Het kabinet-Lubbers I besloot desondanks door te gaan met kernenergie. Tsjernobyl maakte daaraan een eind.

Behalve de risico’s voor zo’n meltdown, beheerst de kwestie van de opslag van radioactief afval al sinds de jaren zeventig het debat over kernenergie. Het gaat dus over het opslaan van afval dat volgens het bericht in NRC „duizenden tot honderdduizenden jaren” gevaarlijk kan blijven. En daarvoor zou nu een oplossing zijn. In Duitsland, bezig 17 kerncentrales uit te schakelen in het kader van de Energiewende, is de „Endlagersuche”, dus de zoektocht naar een veilige plek voor radioactief afval, ook al decennia bezig en daar denkt men behalve aan klei, nog aan zout of graniet. Maar de Covra komt nu dus met de klei-oplossing. Klei heeft niet zoals hard gesteente het risico dat het in de verre toekomst breuken kan vertonen, zo is de gedachte. Bij het Belgische Mol, waar ook een atoomcentrale staat, wordt al sinds 1980 gewerkt aan een ondergronds laboratorium, genaamd HADES, op 225 meter diepte in de Boomse klei. Helemaal nieuw is die gedachte dus niet. Reden tot zorg is wel het eerdere besluit van de politiek deze problemen vooruit te schuiven naar het jaar 2100 en verder. Voor de geraamde kosten van 2 miljard euro zou dan intussen worden gespaard. Borssele blijft voorlopig tot 2033 gewoon open en nieuw afval produceren. Dodewaard is eigenlijk nog altijd niet „dicht”.

Intussen waarschuwde de Onderzoeksraad Voor Veiligheid (OVV) woensdag dat de grensoverschrijdende samenwerking tussen Duitsland, Nederland en België in geval van een kernramp alleen op papier goed is geregeld. In reactie op het eindrapport van de Covra kondigt staatssecretaris Stientje van Veldhoven (Infrastructuur, D66) nu als voornaamste stap aan de instelling van een „klankbordgroep rond eindberging”.

Dat is angstaanjagend mager. Kernenergie, de risico’s, het afval en de kosten, is een thema dat bovenaan de politieke agenda hoort. De verwachting dat later de techniek zal verbeteren, is een gevaarlijke vorm van wensdenken.

In 2130 kan het Nederlandse radioactieve afval voor eeuwig veilig worden opgeslagen in ‘Boomse klei’, op honderden meters diepte, blijkt uit een rapport. Lees daarover: ‘Kernafval voor eeuwig opslaan in diepe kleilaag’

In het Commentaar geeft NRC zijn mening over belangrijke nieuwsfeiten. De commentatoren schrijven deze artikelen in samenspraak met de hoofdredactie.