Column

Als de woede in de man is

Het gebeurde op een zondagmiddag. Een vader van twee zoons keek toevallig vanuit zijn huis naar de overkant van de straat. Zijn zoons speelden daar op dat moment niet, maar wel enkele andere kinderen. Hij zag hoe een jongetje zich achter een auto verborg en hij hoorde kindergelach uit een boom.

Toen ging de voordeur open van een van de rijtjeshuizen en een man vatte post op de drempel. Hij omklemde een honkbalknuppel en riep woedend naar de kinderen: „Nog één keer en ik pak jullie met de knuppel.”

De vader schrok. De man met de knuppel leek tot het uiterste getergd, god weet waartoe hij in staat was. De vader besefte dat hij iets moest doen en belde de politie. „Goed dat je belt”, zei een politieman, „maar wij komen hier niet voor, je moet het zelf oplossen.” „Dan ga ik er maar naartoe”, zei de vader. „Lijkt me goed”, zei de politieman.

De vader nam zijn mobieltje mee om een eventueel gesprek op te nemen. Hij belde aan, er keften enkele hondjes en de man van de knuppel – een vijftiger – maakte meteen open, alsof hij erop gewacht had. Ze hadden elkaar nooit eerder gesproken.

De vader: „Ik zag je met die knuppel, ik schrok enorm.”

De man: „Als ik ze zie, grijp ik ze. Ik ben het spuugzat.”

De vader: „Dit gaat wel heel ver.”

De man: „De eerste die ik zie, spreek ik aan.”

De vader: „Doen ze dat vaak bij je, dat belletje lellen?”

De man: „Wekelijks een aantal keren. Nu weer. Ze zitten in de boom.”

De vader: „Je dreigt met een wel heel zwaar middel.”

De man: „Het kan erger. Het zit me hoog. We hebben het in Nederland veel over pesterijen, maar we doen er niks aan. Vertel mij hoe ik het moet oplossen.”

De vader: „Je zou met die kinderen kunnen praten.”

De man: „Ach jongen, hou toch op, ik ben daar niet van gediend. Het zou opvoedkundig niet mogelijk moeten zijn wat hier gebeurt. Toen ik mijn eigen kinderen opvoedde, heb ik ze laten zien dat je die dingen niet kunt flikken.”

De vader: „Je kunt beter de dialoog aangaan.”

De man: „Ik respecteer je positie, maar ga jij maar achter die kinderen aan en voed vooral je eigen kinderen goed op. Ik heb mijn punt gezet. Ik hoop dat het even geholpen heeft.”

De vader: „Het lijkt me niet het goede middel. Ik hoop dat je er wat van leert.”

De man: „Weet ik niet. Hij staat er niet voor niks. Ze kunnen hun lol op als ze het nog een keer flikken.”

De vader: „Ik hoop het niet voor je.”

De man: „We zullen zien.”

Ik luisterde gefascineerd naar de opname en zag mezelf, tien jaar oud, weer door de straat naar huis sprinten, achtervolgd door een man bij wie mijn vriendje en ik een stukje ijs tegen de ruit hadden gegooid. Hij kwam me steeds dichter op de hielen, ik trok aan het Terlouwtouwtje in onze deur, viel het huis binnen, samen met mijn achtervolger, die me tot in de keuken achterna zat. Daar stond mijn moeder, verbijsterd, maar toch kalm. „Wat doet u hier?” vroeg ze. Hij kon alleen nog hijgen.

Als hij een honkbalknuppel had gehad, denk ik nu, zou ik dit stukje misschien nooit geschreven hebben.