Opinie

’80 miljoen afpakken bij een criminele omzet van 5 miljard is niet zo veel’

Crimineel geld afpakken is een daad van elementaire rechtvaardigheid, ook als het een druppel op de gloeiende plaat dreigt te blijven. Joep Simmelink, in de Togacolumn.

Door Justitie in beslag genomen auto's bij de Dienst Domeinen, vermoedelijk gefinancierd met criminaliteit. foto David van Dam

Recent is bekendgemaakt dat Openbaar Ministerie, politie, FIOD, Douane, Domeinen en CJIB in eendrachtige samenwerking in 2017 crimineel geld tot een bedrag van 221.259.200 euro hebben geïncasseerd. Dit bedrag ligt een stuk hoger dan de incassodoelstelling die voor 2017 was opgesteld (138.560.000 euro). Dit moet niet te snel leiden tot een gevoel van tevredenheid, want het resultaat over 2017 is fors lager dan de 416 miljoen euro die in 2016 is binnengehaald. Zorgelijk is deze daling weer niet. Bij de interpretatie van de incassocijfers moet namelijk rekening worden gehouden met incidentele ‘klappers’. Eenmalige hoge bedragen in bijzondere zaken kunnen het beeld immers vertekenen. Zo hangt het fraaie resultaat over 2016 samen met een schikking tussen OM en Vimpelcom ter hoogte van 268 miljoen euro. Als de cijfers over 2016 en 2017 worden gecorrigeerd door hoge opbrengsten in bijzondere zaken weg te laten, ontstaat een ander beeld. Dan is het resultaat in 2016 een bedrag van bijna 90 miljoen en in 2017 een bedrag in de buurt van de 80 miljoen.

Druppel

De bijgestelde cijfers hebben betrekking op het van verdachten en veroordeelden afgenomen misdaadgeld dat is verkregen uit de grote stroom strafbare feiten, zoals drugshandel, hennepteelt, mensenhandel, fraude, vermogensdelicten, etc. Wat is dan 80 miljoen euro, als wordt bedacht dat alleen al de opbrengsten uit hennepteelt in de gemeente Tilburg tien keer zo hoog zijn? De verhouding raakt verder zoek als 80 miljoen euro wordt gerelateerd aan de totale Nederlandse misdaadeconomie. Hoewel de omvang daarvan om allerlei redenen moeilijk betrouwbaar valt te meten, is een schatting van minstens vijf  miljard euro aan de zeer voorzichtige kant. Dit betekent dat het jaarlijks door Justitie afgenomen misdaadgeld niet meer is dan een druppel op een gloeiende plaat.

Teleurstellingen

Op 1 maart a.s. bestaat de ontnemingswetgeving 25 jaar. Vanaf het begin zijn de verwachtingen hooggespannen geweest. Door de ontneming van de opbrengsten van misdaad zouden niet alleen de nodige euro’s in de staatskas vloeien, maar ook zou daarmee criminaliteit pas echt effectief kunnen worden bestreden. Herhaalde teleurstellingen over opbrengsten en effecten leidden diverse keren tot aanscherping van de wetgeving en de opstelling van beleidsplannen met de bedoeling het afnemen van misdaadgeld te intensiveren. Als dan na 25 jaar slechts een druppel op een gloeiende plaat het resultaat is, is dat in de strijd tegen de profijtelijke misdaad niet bemoedigend.

Moeizaam

Kan het niet beter? Het lijkt erop dat de incassoresultaten een wat rooskleuriger beeld zouden laten zien, als het CJIB erin zou slagen om alle onherroepelijke ontnemingsbeslissingen te incasseren. Er liggen in Leeuwarden namelijk veel betalingsverplichtingen te wachten op voldoening door veroordeelde criminelen. Opgeteld gaat het om enkele honderden miljoenen. De incasso van die veroordelingen gaat echter moeizaam. Het is niet moeilijk daarvoor een verklaring te geven. Criminele verdiensten worden niet bewaard in een oude sok of onder een matras, maar vloeien voor een belangrijk deel weg in de reguliere economie als uitgaven voor levensonderhoud of als onderdeel van een ‘uitbundige levensstijl’. In de ontnemingsprocedure kan dan wel worden vastgesteld dat een verdachte veel geld heeft verdiend met strafbare feiten, maar als het geld is uitgegeven, is het vervolgens terugbetalen aan de Staat een buitengewoon moeizame aangelegenheid, waarbij in veel gevallen blijkt dat een veroordeelde slechts in termijnen beperkte bedragen kan opbrengen.

Postkoets

Het kan ook zijn dat het genoten criminele profijt onzichtbaar is geworden, doordat het bijvoorbeeld is weggesluisd naar het buitenland. Ook dan wordt de incasso van een veroordeling een moeizaam verhaal. De landsgrenzen zijn voor criminelen nog steeds een sterke ‘firewall’ om criminele verdiensten onaantastbaar te maken. Weliswaar zijn de instrumenten voor internationale samenwerking voor de confiscatie van misdaadgeld in de loop der tijd sterk verbeterd, maar in een wereld waarin het mogelijk is om met enkele toetsaanslagen achter de computer giraal geld drie keer de wereld rond te laten gaan, moet Justitie om het geld te achterhalen datzelfde traject afleggen met de 19e-eeuwse postkoets. Internationale samenwerking verloopt namelijk erg stroperig en kost veel tijd. Nog gecompliceerder wordt het als voor het wegsluizen en witwassen van misdaadgeld gebruik wordt gemaakt van limiteds en trusts in verre vaak tropische oorden.

Ook al zal het daadwerkelijk afnemen van de verdiensten van misdaad voor Justitie een moeizame aangelegenheid blijven, er bestaat geen reden om het hoofd in de schoot te werpen. ‘Misdaad mag niet lonen’ is niet alleen een fraai beginsel, in het strafrechtelijke beleid moet als feitelijke doelstelling leidend blijven dat criminele verdiensten moeten worden afgenomen. Dit uitgangspunt is gewoon een kwestie van elementaire rechtvaardigheid. Het vooruitzicht op een verbeterde incasso bestaat thans wel in verband met de waarde van conservatoir in beslag genomen vermogensbestanddelen, maar dan gaat het toch om bescheiden stapjes.

Souvereiniteit

Verdere verbetering in de toekomst zal van betrokken instanties de nodige energie en creativiteit vragen, waarbij op de eerste plaats verdere intensivering van de samenwerking tussen Openbaar Ministerie, politie, Belastingdienst, CJIB en financiële instellingen van groot belang is. De wetgever zou hieraan een steentje bij kunnen dragen door de mogelijkheid tot gegevensuitwisseling tussen de betrokken instellingen te versoepelen. Verder zullen de hindernissen en beperkingen bij de op confiscatie gerichte internationale samenwerking moeten worden verminderd. Om op dit vlak werkelijk vooruitgang te boeken, zal het 19e-eeuwse concept van de Staatssoevereiniteit op de helling moeten.

De Togacolumn wordt geschreven door een officier, advocaat of rechter. Joep Simmelink is senior advocaat-generaal bij het Ressortsparket van het Openbaar Ministerie en bijzonder hoogleraar aan de Universiteit Maastricht.