Turkse pers moet ‘patriottisch’ zijn

Persvrijheid Kritiek op de oorlog in Noord-Syrië wordt niet gewaardeerd, stelde de Turkse regering onlangs dreigend tegen journalisten.

Agenten van de Turkse oproerpolitie arresteren een deelnemer aan een demonstratie in Istanbul, vorige week, tegen Operatie Olijftak, het Turkse offensief in Noord-Syrië. Foto AFP

Enkele dagen nadat Turkije een offensief begon tegen de Koerdische militie YPG in Noord-Syrië, roept premier Binali Yildirim de grootste Turkse nieuwsmedia bijeen. Tijdens het gesprek op 21 januari, dat wordt bijgewoond door de minister van Defensie, een vicepremier en een woordvoerder van de regerende AK-partij, doet Yildirim vijftien „aanbevelingen” om de militaire operatie op „vaderlandslievende manier” te verslaan.

De journalisten krijgen te horen dat ze „nieuwsberichten die goed zijn voor het moreel” van de YPG beter kunnen vermijden. Ze moeten geen aandacht besteden aan „protesten en verklaringen” van groepen die tegen de operatie zijn. En verhalen van buitenlandse media kunnen ze beter negeren; die laten hun oor te veel hangen naar de vijand. „Voor goede informatie” kunnen ze te allen tijde contact opnemen met de regering of de AKP.

De richtlijnen zijn bedoeld om de pers in dienst te stellen van de regering en haar oorlogsdoelen, stelde Reporters Sans Frontières (RSF), een organisatie die zich inzet voor de persvrijheid. „De nieuwe golf van propaganda, de geïntensiveerde heksenjacht tegen critici, en de bijna volledige afwezigheid van debat over dit offensief laten zien hoezeer pluralisme is verdwenen in Turkije”, zei Johann Bihr van RSF.

Van persvrijheid is nauwelijks nog sprake in Turkije. Sinds de mislukte coup heeft de regering 150 kranten, sites, radio- en tv-zenders gesloten; niet alleen media gelieerd aan de beweging van imam Gülen, het vermeende brein achter de coup, maar ook veel Koerdische media en linkse publicaties. Ruim 2.700 medewerkers verloren hun baan. Daarnaast zitten er volgens de Turkse journalistenvereniging 145 journalisten in de gevangenis, meer dan in enig ander land.

Nu Turkije in oorlog is, worden zelfs de laatste kritische stemmen gesmoord. De politie heeft 300 mensen opgepakt omdat ze op sociale media kritiek hadden op de operatie in Syrië. Het zijn veelal journalisten, kunstenaars, en leden van de pro-Koerdische partij HDP. Volgens de regering maakten ze propaganda voor terroristen. „Dit is een nationale strijd”, zei president Erdogan. „We zullen iedereen die zich daartegen verzet kapotmaken.”

Bij gebrek aan een vrije pers waren sociale media lang een toevluchtsoord voor Turken met een afwijkende mening. Maar ook die ruimte wordt steeds kleiner. Facebook en Twitter zijn een handig middel voor de autoriteiten om critici op te sporen. Turkije doet veruit het vaakst een verzoek om informatie van Twitter te verwijderen, in de eerste helft van vorig jaar 2.700 keer. Daarop blokkeerde Twitter 204 profielen en 497 tweets.

Vorige week vroeg de Turkse regering Twitter, Facebook en YouTube „schadelijke, aanstootgevende, onware en manipulatieve” inhoud over zijn militaire operatie in Syrië te verwijderen. Het duurt lang voordat de bedrijven tot actie overgaan, maar ze reageren positief op de verzoeken van de regering, zei een regeringsfunctionaris tegen de krant Habertürk.

De repressie blijft niet beperkt tot het web. In Noord-Cyprus bestormden honderden nationalistische betogers vorige week het kantoor van de krant Afrika. Ze zwaaiden met Turkse vlaggen, gooiden ruiten in en probeerden het kantoor binnen te dringen. De aanleiding was een kop in de zondagseditie, die de Turkse operatie in Afrin „nóg een Turkse bezetting” noemde, een verwijzing naar de Turkse militaire aanwezigheid in Noord-Cyprus.

Daarop spoorde de Turkse president zijn „broeders” in Cyprus aan met een „gepast antwoord” te komen op de „onbeschaamde” kop in dit „vod”. Afrika is een linkse krant, die bekendstaat om zijn antimilitaristische koers en zijn kritiek op Erdogan.