Het risico zit vooral in water ónder de dijk

Dijkbewaking Het rivierwater staat hoog en dijkbewakers zijn alert op dijkverzwakking. Maar de rivieren kunnen nog veel meer water dan dit hebben.

Fort Pannerden, waar de Rijn splitst in de Waal en het Pannerdensch Kanaal. Foto’s Rien Zilvold

Het water spoedt zich met tien kilometer per uur Nederland in. „Je zou de stroom rennend bij kunnen houden”, zegt Rico Tönis, rivierkundige bij Rijkswaterstaat. Het Rijnwater kwam de afgelopen dagen in grote hoeveelheden het land binnen; maandag bij Lobith 6.600 kubieke meter per seconde.

We staan bovenop Fort Pannerden, met uitzicht over het punt waar de Rijn zich splitst in de westelijke Waal en als noordelijke tak achtereenvolgens het Pannerdensch Kanaal, de Nederrijn en de IJssel. Dit splitsingspunt speelt een belangrijke rol bij het ‘vlot en veilig’ afvoeren van het water naar zee en het IJsselmeer.

In de verte ligt het ‘regelwerk’. Een systeem van betonnen schuiven garandeert dat ook bij hoge waterstanden, zoals nu, tweederde van het water naar de Waal reist en eenderde naar de IJssel. Die verhouding is heilig, ligt al eeuwen vast in afspraken met Duitsland en daarop is de sterkte van Nederlandse rivierdijken berekend. „Als wij hier die verhouding niet bewaken, zou het elders onder water lopen”, zegt Tönis.

Waterpeil: 14,20 meter

De Rijn haalde zondag 14,20 meter bij Lobith en eerder deze maand 14,64 meter. Het zijn geen peilen waar een watermanager van schrikt. Wat binnenkomt, is grof gezegd de helft van wat de Nederlandse rivieren moeten kunnen verstouwen.

Toch zijn de dijkbewakers alert. Dijkbeheerder Wim Cornelisse van het waterschap Rivierenland is bezig met zijn dagelijkse inspectie in Lent, op de dijk bij Nijmegen. „We letten op de buitenkant van de dijk, vooral of er geen drijfhout ligt dat de dijk zou kunnen beschadigen. Dat laten we dan weghalen”, zegt hij. „Maar waar we vooral op letten, is de binnenkant, achter de dijk. Is er kwel?”

Een bushokje bij Brakel.Foto Rien Zilvold

Tegendruk

De meeste aandacht gaat naar het risico dat water onder de dijk door wegspoelt en zandlagen meeneemt: piping. Cornelisse stapt uit, banjert in z’n regenlaarzen door de weilanden en houdt halt bij een sloot, enkele tientallen meters van de dijk. „Zie je wat hier onder water gebeurt?” Hoopjes geel zand liggen op de bodem van de donkere sloot. „Dat is piping.” Het zijn gelukkig kleine hoeveelheden. „Maar als hier grote bergen zand liggen, nemen we maatregelen.” Dan wordt het peil in de sloot verhoogd om „tegendruk” te organiseren. Zo spoelt zand niet langer weg en verzwakt de dijk niet verder.

Bij de huidige waterstanden hoeven geen ‘coupures’ te worden gesloten: balken en wanden die het water buiten het centrum van bijvoorbeeld Nijmegen moeten keren. De waterstanden geven ook nog geen aanleiding om over te gaan tot beperkte dijkbewaking. Pas als zestien meter wordt bereikt, controleren dijkwerkers twee keer per dag de dijken. En als het écht penibel wordt, volgt permanente bewaking, met dijkposten die worden bemand door professionals en opgeleide vrijwilligers.

Kribben

Dat het dit jaar nauwelijks tot overstromingen is gekomen, is vermoedelijk te danken aan het ‘doorstroombaar’ houden van de uiterwaarden. Rijkswaterstaat ziet toe op ongewenste bebouwing, op het kappen van overdadige begroeiing, en het verlagen van dammetjes, de zogenoemde kribben.

Wat ook helpt, is de extra ruimte die de Nederlandse rivieren de afgelopen jaren hebben gekregen in dertig projecten. Bij Lent bijvoorbeeld is een vier kilometer lange nevengeul bij de Waal gegraven. Dat scheelt ongeveer 35 centimeter bij Nijmegen, maar ook bovenstrooms zijn de effecten te merken, zoals in de Bemmelse Polder, meldt dijkbeheerder Cornelisse. „Dat gebied zou vroeger met dit waterpeil zijn ondergelopen. Nu staat het droog.”