Column

Eerbetoon aan uniek regisseur

Peter de Bruijn De Franse regisseur Patrice Chéreau was een veelzijdig talent: hij regisseerde voor zowel toneel, film als opera. Een kunstenaar met een enorme hang naar extremen.

Dubbelcarrières zoals van de betreurde Franse regisseur Patrice Chéreau (1944-2013) zijn schaars. Of beter gezegd: een trippelcarrière. Chéreau was toonaangevend als toneelregisseur, als operaregisseur én als filmmaker. Dat lijken ambachten die nauw verwant zijn. Chéreau placht te zeggen dat hij eigenlijk altijd hetzelfde deed: verhalen vertellen. Toch blijft zo’n carrière zeldzaam.

Chéreau gooide hoge ogen op internationale filmfestivals – met een exorbitant kostuumdrama zoals La Reine Margot, dat in 1994 goed was voor de Juryprijs in Cannes. Zijn grensverleggende (seksueel expliciete) relatiedrama Intimacy won in 2001 de Gouden Beer in Berlijn. Later werk zoals het bijna té intense stalkingsdrama Persécution, Chéreaus laatste film uit 2009, kreeg niet altijd de verdiende aandacht.

Filmmakers die ook wel eens een opera hebben geregisseerd zijn niet heel schaars: Woody Allen, Werner Herzog, Sofia Coppola en Andrej Tarkovski waagden zich eraan. Maar meestal blijft dat bij een uitstapje. Chéreau daarentegen schreef theaterhistorie met zijn regie van Wagners Der Ring des Nibelungen, die in de tweede helft van de jaren zeventig te zien was in het Wagner-walhalla Bayreuth. Chéreau, toen een kersverse, beginnende regisseur, kreeg de uitnodiging voor de Ring van dirigent Pierre Boulez overigens pas nadat Ingmar Bergman vriendelijk voor de eer had bedankt. In zijn enscenering verplaatste hij Wagners mythische godenwereld naar een duistere wereld van kapitalisme en industrialisering. Die zogeheten ‘Jahrhundertring’ is nog steeds verplicht studiemateriaal voor elke regisseur die zich aan Wagners Ring wil wagen.

In de beroemde Opera Garnier in Parijs is nu (tot maart) een handzame, mooie tentoonstelling te zien over Chéreaus werk in de opera. De controversiële Ring kwam Chéreau destijds op doodsbedreigingen te staan, blijkt uit een getypte brief van een anonieme gestoorde; door Chéreau keurig opgeslagen in zijn archief en nu uitgestald in een vitrine op de expositie.

Tussen film, gesproken theater en opera zag Chéreau vooral de verschillen, al viel alles volgens hem dan onder de noemer ‘verhalen vertellen’. Waar hij als toneelregisseur zijn handen vrij had om een tekst naar eigen inzicht te interpreteren, werkte hij bij opera met een drama dat al geïnterpreteerd is: door de componist, in de muziek. Dat was voor hem altijd een worsteling. In zijn carrière valt een gat van tien jaar waarin hij opera links liet liggen. Toch keerde hij in de laatste jaren voor zijn dood weer terug naar het muziektheater.

De uitvergrote dramatiek en de emotionaliteit van opera heeft wellicht toch zijn sporen nagelaten in zijn films. Chéreau was een levende paradox: een buitengewoon cerebrale, analytische film- en theatermaker, die zijn keuzes altijd heel precies kon beredeneren. Tegelijk was hij een kunstenaar met een enorme hang naar extremen. Chéreau was gefascineerd door tot op het bot ontlede gemoedstoestanden: somberheid, wanhoop, obsessieve lust en liefde, masochisme, waanzin. In de extremen raakten de theatermaker en filmregisseur elkaar.