De botresten gingen in plastic zakken. Zijn ze van Nederlandse oorlogsslachtoffers?

Javazee

Zijn op Java gevonden lichamen afkomstig van verdwenen Nederlandse marineschepen? Het lijkt erop, maar bewijs ontbreekt.

De kruiser Hr. Ms. Java arriveert in Den Helder in 1938. Vier jaar later zou het marineschip zinken in de Slag in de Javazee. G. v.d Werff/ANP

Agus wil best laten zien waar hij de zakken met botten heeft begraven. Er zaten volgens hem zelfs een paar intacte schedels bij. Hij vraagt 750.000 Indonesische roepia per locatie, zo’n 45 euro.

Op vier plekken in het Oost-Javaanse kustdorp Sedayulawas heeft hij zakken met menselijke resten begraven, zegt hij. De stoffelijke overschotten zaten tussen wrakstukken van schepen die hier aan land kwamen. Het zouden Nederlandse oorlogsslachtoffers kunnen zijn.

Zijn aanbod is misplaatst en onnodig. Eerder op de dag heeft Ilyas, opzichter van de begraafplaats in het dorp, laten zien waar een deel van de menselijke resten ongeveer moet liggen. Hij wijst tussen het hoge gras en de felgekleurde grafstenen. Op de meeste staat alleen een datum, geen naam. Hier begraven worden is gratis. De kisten liggen soms wel vijf lagen dik op elkaar, vertelt Ilyas.

In 1942 vergingen in de Javazee drie Nederlandse oorlogsschepen: Hr. Ms. De Ruyter, Java en Kortenaer. Samen met Amerikaanse, Australische en Britse schepen deden ze een mislukte poging Japan tegen te houden, dat Java wilde binnenvallen. Op de Nederlandse schepen alleen al kwamen ruim negenhonderd mensen om.

De schok kwam in 2016. Een duikploeg wilde de wrakken filmen, maar die bleken verdwenen. Ze hebben dezelfde status als oorlogsgraven, dus dit was grafschennis.

Onlangs kreeg de kwestie opnieuw aandacht. Het ministerie van Defensie presenteerde de conclusie van Indonesisch-Nederlands onderzoek naar de verdwijning: onmogelijk vast te stellen wie de schepen had geruimd. En het was illegaal gebeurd, vergunningen waren niet afgegeven.

Dat bleek te makkelijk opgeschreven. De Indonesische onderzoeksjournalist Aqwam Hanifan ontdekte dat in 2014 en 2015 wel degelijk werkvergunningen zijn afgegeven rond het gebied waar de wrakken lagen. Hij kwam ook met de naam van een Chinees-Indonesisch bergingsbedrijf dat tussen 2014 en 2016 ladingen wrakstukken aan land bracht in Sedayulawas.

Lees meer over het geallieerde vlaggenschip Hr.Ms De Ruyter: Pronkstuk, verloren in de Javazee.

Oud ijzer

Hoe zeker is het dat die ladingen oud ijzer de Nederlandse scheepswrakken waren? En de stoffelijk overschotten dus die van Nederlandse marinemensen? Waar die wrakstukken precies vandaan kwamen, zegt een van de inwoners van het dorp, Muhammad Yoto, konden ze niet weten. Te gehavend. „Op zee waren de schepen al in stukken gesneden. Aan land sneden ze het ijzer nog verder op.” Vrachtwagens reden het naar Surabaya, om te smelten en door te verkopen.

Yoto vertelt dat veel buitenlanders – Chinezen, misschien ook Koreanen of Japanners – meehielpen met het werk. „Het mocht eigenlijk niet, maar wij van het dorp namen soms de kleinere brokken mee. Als aandenken of om te verkopen.” Zelf heeft hij een oude bijl bewaard. De letters die erin gegraveerd staan, zijn niet meer te lezen.

Tussen de wrakstukken zat munitie. Kogels, zegt Muhammad Yoto. Andere getuigen, die onderzoeksjournalist Hanifan heeft gesproken, zeiden dat er ook granaten en legerhelmen bij zaten. Zij vertelden hem dat ze zeker wisten dat het om oorlogsschepen ging en dat de Chinezen voor wie zij werkten, dat in de gaten hadden.

Er zijn dus allerlei aanwijzingen. Alleen hard bewijs ontbreekt.

Getuigen hebben naamplaatjes tussen de wrakken gevonden met Nederlandse plaatsnamen: Amsterdam en Rotterdam. Maar dit soort relikwieën kan net zo goed van een koopvaardijschip komen. Goederen met Nederlandse namen op de bodem van de Javazee zijn niet zo vreemd, gezien het koloniale verleden.

Minister van Defensie Ank Bijleveld (CDA) kondigde vorige week nader onderzoek aan. De toon van Den Haag jegens Indonesië was verbolgen, omdat de informatie over de vergunningen niet klopte. Een „buitengewoon kwalijke zaak” dat nu zoveel onduidelijkheid over deze kwestie bestaat, zei minister van Buitenlandse Zaken Halbe Zijlstra (VVD).

Punt is wel dat het onderzoek een gezamenlijke missie was. Premier Mark Rutte en de Indonesische president Joko Widodo waren het roerend eens toen Rutte eind 2016 Jakarta bezocht: in „gezamenlijke inspanning” zou de onderste steen boven komen.

Lees meer over het extra onderzoek: Meer onderzoek naar oorlogsschepen Javazee

Niet terug in zee

Volgens het eindrapport hebben Indonesische en Nederlandse ambtenaren op „professionele en collegiale manier” samengewerkt. Maar er staat óók in dat „geen forensisch onderzoek” is gedaan in aanloop naar hun bespreking over de zaak. De Nederlandse ambtenaren moeten dus hebben geweten dat het ‘onderzoek’ inhoudelijk weinig voorstelde.

In de haven van Sedayulawas is niets meer te zien van de drukke werkzaamheden. In augustus vorig jaar vertrok het bedrijf PT Jatim Perkasa van het stuk grond dat voor een paar jaar was gehuurd.

De coördinator van de werkzaamheden van toen zit er nog wel, iets verderop in een kantoortje. Haji Ghoni laat bezoek niet binnen en wil eigenlijk niks kwijt. Ja, hij werkte met het bedrijf in kwestie, maar of dat Chinezen waren? Dat wil hij niet zeggen. En of er stoffelijke overschotten mee kwamen? Dat weet hij niet meer.

Haji Ghoni is bang dat hij iets verkeerds zegt. Terwijl juist híj er waarschijnlijk voor heeft gezorgd dat de stoffelijke overschotten begraven werden en niet terug in zee verdwenen. Ghoni vertelde journalist Hanifan dat de ijzerwerkers niet respectvol omgingen met de menselijke resten.

Op de begraafplaats vertelt opzichter Ilyas dat de overschotten niet, „zoals het hoort”, in een kist met een witte doek eromheen zijn begraven, maar in plastic zakken. Daar baalt hij wel van. Waar de menselijke resten vandaan komen, kan hem niet zoveel schelen. „Als familieleden van slachtoffers hier langskomen, zal ik ze natuurlijk het graf wijzen.”