Opinie

Big tech heeft ons nodig, nog even

Het loont voor grote techbedrijven als Google en Facebook nog altijd om lief te zijn voor gebruikers. Maar hoe lang nog, vraagt zich af.

Illustratie Hajo

De huidige hysterie over de kwalijke gevolgen van de techno-industrie voor politiek, democratie en zelfs voor onze cognitieve functies, komt voor een groot deel door de dubbelzinnige verhouding van die branche met haar gebruikers.

Want die verhouding is zowel op inlevingsvermogen als op onverschilligheid gebaseerd. Die twee botsende uitgangspunten waren ooit nuttig. Zo konden technologiebedrijven zich voordoen als Moeder Teresa zodra ze voor schurk werden uitgemaakt. Maar terwijl die twee steeds meer beginnen te botsen, wordt ook steeds duidelijker dat de sociale visie van deze industrie incoherent is.

Het ‘inlevingsverhaal’ bevat een kern van waarheid. Hoe machtig de techreuzen ook mogen zijn, ze zijn sterk afhankelijk van reclame en webwinkels, oftewel van ons vermogen te consumeren. Hun belangen sluiten tot op zekere hoogte dan ook aan bij de onze. Wij hebben inkomsten nodig om te kopen wat er geadverteerd wordt.

Je zou het misschien kunnen vergelijken met Henry Ford, die zijn werknemers hogere lonen betaalde zodat ze zijn auto’s konden kopen. Een minder welwillende vergelijking is met slavenhouders, die hun slaven gevoed en gezond moesten houden – anders dreigden ze hen aan uitputting en ziekte te verliezen.

Maar anders dan Henry Ford of de slavenhouders willen de techbonzen dat iemand anders voor het probleem betaalt. Bijvoorbeeld via een universeel basisinkomen, zoals Mark Zuckerberg (Facebook) en Elon Musk (Tesla) opperen.

Nieuwe monopolisten

Karaktertrek nummer twee – totale onverschilligheid jegens hun gebruikers – komt voort uit de concurrentie die bij deze sector hoort. Het is duidelijk dat de techbedrijven – de ‘nieuwe monopolisten’ – elk een specifieke niche domineren (zoals zoekmachines, sociale netwerken of online verkoop). Maar op een hoger plan – dat van de informatiediensten – concurreren ze wel degelijk.

Dus hebben ze vaak geen andere keuze dan pioniers naar nieuw terrein te volgen, van cloud computing tot zelfrijdende auto’s. Voor een groot aantal van die bedrijven – Amazon is een goed voorbeeld – leveren dit soort informatiediensten nu al hogere winstmarges op dan hun traditionele activiteiten.

Het geheime recept is hier kunstmatige intelligentie, artificial intelligence (AI). En het geheime recept van AI zelf zijn weer de data die Silicon Valley in een eerder stadium heeft verzameld over gebruikers van techplatforms. Maar zodra deze AI-capaciteit eenmaal is opgebouwd, kan die lucratief te gelde worden gemaakt bij overheden en het bedrijfsleven.

Dit zal de winsten opstuwen, maar de individuele gebruiker, eerst nog de lieveling van de techindustrie, zal achterblijven zonder dat iemand meebetaalt aan zijn kattenfilmpjes. De overheid zal het waarschijnlijk niet zijn.

Een botte bekentenis

De digitale economie van vandaag is niet wat ze lijkt, en techgiganten weten het. Zoals Andrew Ng, grondlegger van Google’s AI-project Google Brain en daarna hoofd AI bij de Chinese zoekreus Baidu, vorig jaar zei: „Bij grote techbedrijven lanceren we producten vaak niet om geld te verdienen maar voor de data, en die maken we via een ander product te gelde.”

Ng’s botte bekentenis vat de essentie van wat ik ‘data-extractivisme’ noem, waar alle digitale giganten nu aan doen.

De toekomst is aan het gierige Google waarvoor je betaalt, niet aan het gulle, gratis Google

Neem Google: het lanceerde onlangs een AI-platform dat bedrijven kunnen gebruiken om hun eigen AI-modellen te trainen en te bouwen; uiteraard tegen vergoeding. Ja, het loont nog altijd om lief te zijn voor gebruikers – bijvoorbeeld door ze gratis hippe apps te geven, zoals Google met Arts & Culture heeft gedaan, waarmee je in musea kunt rondzoeken. Dat helpt namelijk om bestaande AI-modellen verder te verfijnen. Maar hoelang hebben de techbedrijven ons nog nodig om hen verder te trainen?

Het gierige Google

Om economische redenen is ‘data-extractivisme’ eindig; het zal ophouden als AI dankzij alle geoogste data goed genoeg werkt. De toekomst is, kortom, aan het gierige Google-tegen-betaling, niet aan het gulle, gratis Google van Arts & Culture.

De analogie die we voor de digitale economie hanteren zou weleens verkeerd kunnen zijn: data zijn niet ‘de nieuwe olie’. Maar AI waarschijnlijk wel. En naarmate AI belangrijker wordt, wordt de techsector waarlijk onmisbaar. Daarmee voegt Silicon Valley zich bij Wall Street als bedrijfstak die ‘too big to fail’ is: te groot om failliet te laten gaan.

Denk maar aan eens aan de strijd tegen nepnieuws, kwaadaardige cyberaanvallen, kanker: hier wordt overal AI ingezet. De wereld zou de verdwijning van digitale reclame en webwinkels gemakkelijk overleven. Maar voor de oplossingen van de vele crises – zeker nu – kan hij niet zonder AI.

Wat moeten we daarom denken van de belofte van Mark Zuckerberg om zijn platform aan te passen en ervoor te zorgen dat „de tijd besteed op Facebook welbestede tijd wordt”? Omdat hij dat beloofde nadat een aantal technici uit Silicon Valley had bekend dat ze de verslaving onder gebruikers een handje hadden geholpen, kunnen we de algemene richting van dit nieuwe ‘Facebook 2.0’ wel zo ongeveer bedenken. Met de retoriek van, opnieuw, het ‘inlevingsvermogen’ zal Facebook beloven alle rotzooi te verwijderen en zijn krachtige AI in te zetten om zinnige en verrijkende berichten te vinden. En zoals inmiddels gebruikelijk is, zal het ons voorhouden dat hoe meer het van ons weet, hoe beter deze aanbevelingen op basis van AI zullen zijn.

Verslavingshulp

Ziedaar de kern van ons probleem: we leven steeds meer in een wereld waarin techbedrijven met behulp van verslavende communicatiediensten onze gegevens vergaren en hun AI-oplossingen voor alles verfijnen, met inbegrip van het verslavingsprobleem dat ze hebben geschapen.

Wat gebeurt er zodra de laatste restjes ‘logica van de inleving’ onder druk van de concurrentie wijken voor de‘ logica van de onverschilligheid’? De laatste fase van de digitale economie zal niet fraai zijn: verslaafd aan rotzooi en verdwaald in de oneindige memes – de via het internet verspreide ideeën, beelden, verhaaltjes – van dubieuze herkomst, zullen wij, de overtollige online-bevolking, ten slotte aan ons lot worden overgelaten.

Gelukkig, voor sommigen, zullen we bij de techbedrijven dankzij AI de juiste beveiligingsdiensten kunnen kopen. De cognitieve elite heeft niets te vrezen, want die beperkt zich tot het digitale equivalent van boerenkool en quinoa en surft door de ambachtelijke, handgemaakte inhoud die voor niet-ingewijden verborgen blijft. Alle anderen zijn ertoe veroordeeld om zich vol te proppen met goedkope rommel-memes gegenereerd door machinaal leren, met als enig doel om ons over te halen het premium-pakket van ons favoriete platform te kopen en eindelijk gemoedsrust te krijgen. Geld besteed aan Facebook zal dan waarlijk welbesteed geld zijn.

Evgeny Morozov spreekt woensdag (31/1) op het symposium DECODE: Data commons & the city, in Pakhuis de Zwijger in Amsterdam.