Illustratie Soohee Cho

‘Pas op met vergaande maatregelen tegen nepnieuws’

Interview Desinformatie uit Rusland bereikt ook Nederland, zegt de Leidse onderzoeker Peter Burger. Maar overheden die nu harde maatregelen voorstellen, slaan door.

Herleeft de Koude Oorlog? De vraag is een cliché, maar het is opvallend hoeveel beleidsmakers in binnen- en buitenland de laatste tijd maatregelen aankondigen tegen politieke beïnvloeding door Rusland.

Ging het in de jaren vijftig van de vorige eeuw nog over communistische spionnen in hoge Westerse kringen, nu stroomt het ‘Rode Gevaar’ het land binnen door Russische desinformatie op sociale media.

Een kleine greep uit de maatregelen: de Europese Commissie presenteerde in januari een Taskforce Nepnieuws die de invloed van trollen op verkiezingen moet tegengaan. CDA-leider Sybrand Buma stelde in interviews dat Nederland zich moet „wapenen” tegen de verspreiding van Russische desinformatie. Minister Ollongren (Binnenlandse Zaken, D66) pleit voor maatregelen omdat de Russen de Nederlandse publieke opinie bespelen, door De Telegraaf prompt gebracht als een Russische ‘nepnieuwslawine’.

Hoe groot is het probleem eigenlijk en heeft overheidsingrijpen zin? Volgens de Leidse wetenschapper Peter Burger ontbeert de discussie nuance en kennis. „We moeten oppassen dat de maatregelen niet meer schade aanrichten dan het probleem.”

Burger, van huis uit middeleeuws letterkundige, is de bekendste ‘nepnieuwsonderzoeker’ van Nederland. Hij doet sinds 1990 onderzoek naar moderne broodje-aapverhalen en begeleidt het Leidse factcheckproject Nieuwscheckers, dat al tien jaar lang hoaxes en nepnieuws op internet ontmaskert en sinds vorig jaar samenwerkt met Facebook om nepnieuws op het sociale netwerk op te sporen.

Lees ook ons dossier over ‘Russische invloeden’

Eerst de feiten, want die ontbreken nog weleens in de discussie, zegt Burger. Ja, de Russen proberen de publieke opinie te bespelen in Westerse landen, soms openlijk, soms heimelijk. Het is beleid om verwarring en tweespalt te zaaien en zo Westerse democratieën te verzwakken. Ook Nederland is doelwit geweest van beïnvloedingscampagnes, specifiek rond het Oekraïnereferendum en het onderzoek naar de MH17-ramp.

Toch denkt hij dat politici nu te gemakkelijk met maatregelen schermen. „We weten niet precies hoeveel invloed deze desinformatie heeft, maar waarschijnlijk is die beperkt.”

Daar is geen onderzoek naar gedaan?

„Nee, weinig. Dat geldt voor nepnieuws in het algemeen. Er zijn talloze studies naar nepnieuws, maar ze gaan nauwelijks over de omvang van het fenomeen en de invloed ervan op de samenleving. Ik maak me zorgen dat nu beleid wordt gemaakt op basis van beperkte informatie.”

Wat is uw indruk over de omvang van het probleem in Nederland?

„Op dit moment zie ik geen bewijs voor een grote Russische campagne. En ik ben dagelijks met nepnieuws en desinformatie bezig. Het duikt gewoon niet op in mijn dagelijkse praktijk. Ook niet in de berichten die we met Nieuwscheckers controleren voor Facebook. Daar komt veel onzin langs, maar het gaat niet zo vaak over politiek.

„De desinformatie kan natuurlijk zo goed verborgen zijn dat we het niet zien. Maar het valt wel op dat minister Ollongren, ondanks haar waarschuwingen, met zo weinig voorbeelden is gekomen. Je zou denken dat haar ambtenaren die inmiddels wel met haar zouden hebben gedeeld als ze erover zouden beschikken.

„Nog een aanwijzing dat Nederland momenteel niet zo belangrijk is voor de Russen: staatsmedia RT en Sputnik, berucht om hun openlijke propaganda, hebben geen Nederlandse edities. Sputnik brengt nieuws in meer dan dertig talen, waaronder een aantal met veel minder sprekers dan het Nederlands. Waarom zenden ze wel uit in een dwergtaal als het Ests en niet in het Nederlands? Ik denk omdat ons land van minder groot strategisch belang is.”

We hoeven ons nergens zorgen over te maken?

„Dat ook weer niet. Het gaat nu in Nederland vooral om een potentiële dreiging. We weten waartoe de Russen in staat zijn, bijvoorbeeld door onthullingen over de campagnes rond de Amerikaanse verkiezingen.

„Russisch nepnieuws komt ook best weleens in Nederlands terecht. Het gaat alleen, voor zover we weten, zelden om specifiek op Nederland gerichte desinformatie. En de Russische desinformatie die hier het grootste bereik heeft lijkt vooral te worden verspreid door politici die met name over migratie hetzelfde verhaal vertellen als Russische staatsmedia. Ik verstuur op Twitter heel vaak berichten naar politici die een hoax verspreiden, opvallend vaak PVV’ers. Meestal hebben die nepverhalen een andere oorsprong, maar soms blijken ze een Russische bron te hebben. Zo retweette de Almeerse PVV-politicus Willem Boutkan het bericht dat een moslimmigrant die pas twee uur in Duitsland was een vrouw voor de trein had gegooid. Dat heb ik kunnen herleiden tot een verdraaid bericht van een pro-Russisch Twitteraccount.

„Maar ook in deze gevallen moet je je afvragen hoe groot hun invloed is. Die PVV-tweets bereiken maar een deel van het publiek. En stel nu eens dat het lukt om alle Russische desinformatie weg te krijgen – dat zal niet zoveel veranderen aan de stemming in Nederland. Die berichten zijn gemaakt om een woede aan te wakkeren die er al is.

„En om het nog ingewikkelder te maken is veel zogenoemde Russische desinformatie niet eens onwaar. Die staatszenders, maar ook Russische trollen, verspreiden vaak gekleurde, overdreven, maar niet per se onware berichten. Het gaat op RT bijvoorbeeld opvallend vaak over criminaliteit door vluchtelingen. Het is duidelijk bedoeld om vluchtelingen in een kwaad daglicht te zetten, maar de specifieke gevallen zijn niet per se onwaar. Wat doe je daartegen? Ik denk dat niemand maatregelen wil nemen tegen gekleurde berichtgeving.”

Zijn er wel verstandige oplossingen?

„Ik heb ook niet het ei van Columbus. De internationale club van factcheckers IFCN adviseerde de EU onlangs dat de informatie die wel klopt voor iedereen eenvoudig beschikbaar moet zijn. Dat betekent dus ook dat de EU zelf transparanter moet worden.

„Wat ik niet wil is zo’n Duitse sociale-mediawet tegen nepnieuws en haat, de Netzwerkdurchsetzungsgesetz. Door die wet kunnen sociale netwerken die niet op tijd nepnieuws en haat verwijderen torenhoge boetes krijgen. Om die boetes te voorkomen nemen de bedrijven strengere maatregelen dan wat stand zou houden bij een justitiële toets. Zo helpt de overheid mee met de beknotting van de vrijheid van meningsuiting.

„Tegelijk bestaat het gevaar dat je alles onder vrijheid van meningsuiting schaart. Er is wel een probleem en dat lost zichzelf niet op. Enige pressie op de platforms die dat mogelijk maken kan geen kwaad. Facebook moet ook opener worden over data. Wie betaalt bijvoorbeeld voor politieke advertenties? Facebook heeft inmiddels toezeggingen gedaan om daar transparanter over te zijn.”

Je hoort nu steeds vaker het voorstel anonimiteit op internet op te heffen.

„Dat geeft, net als streng overheidsingrijpen, meer nadelen dan voordelen, vrees ik. Veel mensen hebben online goede redenen om anoniem te blijven. Bijvoorbeeld in landen waar je moet vrezen voor de overheid of misdadigers. Bovendien verspreiden juist ontzettend veel mensen nepnieuws onder hun echte naam. Kijk naar de politici die ik op Twitter aanspreek als ze een hoax verspreiden.”

Valt overheidsingrijpen überhaupt te rechtvaardigen?

„Op het gebied van politiek nepnieuws moeten beleidsmakers uiterst terughoudend zijn. De overheid moet niet zelf gaan factchecken. Dat ging onlangs helemaal mis met de EU-organisatie EU vs Disinfo, die aantoonbaar onjuist artikelen van Nederlandse media omschreef als desinformatie.

„Zelfs bij medisch nepnieuws, dat ik eigenlijk zorgwekkender vind dan die schimmige Russische desinformatie, vraag ik me af of de overheid moet ingrijpen. We zien met de Nieuwscheckers ontzettend veel medische onzin langskomen, van het kaliber dat zuiveringszout met citroen beter werkt dan chemotherapie. Maar ook daarvan zou ik eerst wel eens willen weten of mensen er echt naar handelen.”