Er is geen brain drain aan de Nederlandse universiteiten

Wetenschappelijk talent Uit een onderzoek van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen blijkt dat er géén onderzoekstalent weglekt naar het buitenland. De im- en export is redelijk in evenwicht, met zelfs een licht voordeel voor Nederland.

Hoogleraar biomedische nanotechnologie Nathalie Katsonis in haar lab aan de TU Twente. In Frankrijk opgeleid kwam zij in 2004 naar Nederland, op verzoek van de latere Nobelprijswinnaar Ben Feringa. „Ik dacht eerst dat hij een postdoc was. Ik was de hoogleraren in Frankrijk gewend. Die zijn veel formeler.” Foto Lars van den Brink

Per saldo is er geen uittocht van wetenschappelijk talent uit Nederland. Er vertrekken top-onderzoekers, maar er komen er minstens zoveel voor terug.

Dat concludeert de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW) in een maandag verschenen rapport. Er is geen sprake van een brain drain, eerder van een brain circulation.

Aanleiding voor de inventarisatie was het vertrek in 2015 van chemisch technoloog Maaike Kroon naar het Petroleum Institute in Abu Dhabi, waar veel media-aandacht voor was. Nederland zou achterop raken in de internationale strijd om wetenschappelijk talent. De KNAW constateerde destijds dat gedetailleerde gegevens over in- en uitstroom van top-onderzoekers ontbraken. Ze stelde vervolgens een commissie in om het uit te zoeken.

Lees over de commotie rond het vertrek van Maaike Kroon ook: ‘Geef jong talent weer een grote zak geld

Zorgen zijn er zeker, schrijft de commissie nu in haar rapport. Het aandeel vrouwen in de Nederlandse wetenschap is laag, en ligt onder het Europees gemiddelde. De vrijheid van onderzoekers is ingeperkt – hun werk wordt steeds meer bepaald door financiering vanuit omlijnde projecten. En in de strijd om het wegkopen van senior top-onderzoekers biedt Nederland minder gunstige ‘pakketten’ vergeleken met bijvoorbeeld Duitsland en het Verenigd Koninkrijk.

Maar daartegenover staat dat Nederland voor jonge onderzoekers juist aantrekkelijk is, onder meer door de speciale beurzen van wetenschapsfinancier NWO voor talent. Deze beurzen – de Veni, Vidi en Vici – zijn „vrijwel uniek” in de internationale wetenschappelijke wereld. Van degenen die zo’n beurs hebben gekregen, blijft 90 procent in Nederland.

Uit interviews met 39 onderzoekers (voornamelijk hoogleraren) concludeert de KNAW-commissie verder dat de gemiddelde kwaliteit van onderzoek aan de Nederlandse universiteiten als hoog wordt beoordeeld. De balans tussen werk en privé is goed. De kwaliteit van basis- en middelbare school is hoog.

Van een brain drain blijkt geen sprake. Over de periode 1996 tot 2013 waren in- en uitstroom van onderzoekers in balans, zo concludeerde de Adviesraad voor wetenschap, technologie en innovatie twee jaar geleden al.

Op basis van eerder onderzoek concludeert de KNAW-commissie dat de instromende onderzoekers hoofdzakelijk uit Duitsland, Italië en China komen. Dat zijn trouwens niet alleen mensen uit die landen zelf, er zitten ook terugkerende Nederlanders bij. De uitstroom vertrekt vooral naar de Verenigde Staten, het Verenigd Koninkrijk en Duitsland.

Licht positief

In sommige opzichten is het beeld zelfs licht positief. De impact van binnenkomende onderzoekers (op basis van de citaties die hun publicaties trekken) is „een fractie hoger” dan die van de vertrekkers.

Eenzelfde beeld is er wat betreft de toekenning van de prestigieuze Brusselse onderzoekssubsidie, de ERC-grant. Het aantal onderzoekers dat in de periode 2007-2013 zo’n beurs in het buitenland binnenhaalde en die vervolgens meenam naar Nederland lag met 39 hoger dan de 30 onderzoekers die de beurs kregen toen ze in Nederland werkten en ’m vervolgens meenamen naar het buitenland.

Elk land heeft zijn eigen patronen, zo blijkt uit de analyse. Zo investeert Duitsland meer in onderzoek en ontwikkeling, maar is het minder internationaal gericht. In 2014 kwam 12,5 procent van het Duitse wetenschappelijk personeel uit het buitenland, in Nederland was dat 29 procent.

Problemen met projectfinanciering

De commissie analyseert de zorgen niet verder, maar de meeste hebben te maken met de trend van toenemende projectfinanciering. Universiteiten worden geacht meer extern onderzoeksgeld (via Brussel, het bedrijfsleven, of via fondsen zoals de Hartstichting) binnen te halen. Dat is in de regel projectgeld voor twee tot vier jaar. Het heeft gezorgd voor een sterke toename van flexibele banen, met name promovendi en postdocs. De meesten van hen willen verder in het onderzoek. Gecombineerd met de status van de talentbeurzen van NWO – zo’n beurs is bijna een voorwaarde geworden voor een carrière in de wetenschap – heeft dit vervolgens gezorgd voor een stormloop van jonge onderzoekers op die beurzen. Door de verhoogde aanvraagdruk is de kans op het binnenhalen van zo’n beurs verkleind, wat het een duur en inefficiënt instrument maakt. NWO is samen met de universiteiten bezig dit te veranderen.

Lees ook: de kans op onderzoekssubsidie zakt onder de 20 procent.

Om Nederland aantrekkelijk te laten blijven moet er volgens de KNAW-commissie meer geld komen voor lange-termijnonderzoek. Ook zouden de Nederlandse universiteiten zich meer als één moeten aanprijzen – als the university of the Netherlands – bij het aantrekken van toponderzoekers uit het buitenland.

    • Marcel aan de Brugh