Opinie

Koolhaas en Ruf maakten een rommeltje van de collectie

De herinrichting van het Stedelijk Museum is een belediging voor de bezoekers, vindt de Amerikaanse architect Aaron Betsky. Nederlandse kunstliefhebbers verdienen beter.

BASE, de nieuwe collectieopstelling van het Stedelijk Museum. foto Olivier Middendorp

Als ik mijn Amerikaanse vrienden probeer uit te leggen waarom het Stedelijk Museum zo belangrijk is, wijs ik op de spectaculaire verzameling negentiende en twintigste-eeuwse kunst die het museum bezit en de rol die het een lange tijd heeft gespeeld als etalage voor het beste eigentijdse werk dat werd gemaakt. Maar die laatste functie is helaas door tientallen jaren wanbeheer verloren gegaan. Door kortzichtigheid hingen de Malevitsjen en Mondriaans er, zonder veel publieke aandacht, verloren bij. De jongste belediging is een chaotische en storende – en ook nog eens prijzige – inrichting die het publiek is aangesmeerd door de vertrekkende directeur van het museum, Beatrix Ruf, met hulp van Rem Koolhaas en zijn research-club AMO.

De schuld moet in dit geval worden gedeeld tussen de ontwerper en de klant. Koolhaas heeft op het terrein van de architectuur vaak ideologie boven een goed ontwerp laten gaan. Daarom zijn de plannen voor radicaal andere vormen van het tentoonstellingsontwerp die hij maakte voor het Los Angeles County Museum en de Hermitage nooit voltooid, terwijl zijn beste ontwerpen, van de Kunsthal tot de Prada-collectie in Milaan, min of meer neutrale tentoonstellingsruimten bieden. In het Stedelijk had hij een klant die wel wilde meegaan in een misvatting over de manier waarop kunst tentoongesteld moet worden.

Lees ook over de reacties op Stedelijk Base: ‘Stedelijk Museum zet deur naar de toekomst wijd open’

Ruf (die een paar maanden geleden opstapte) en Koolhaas besloten de permanente collectie weg te halen uit de negentiende-eeuwse galerijen die vijf jaar geleden tot in de perfectie waren opgeknapt door het Amsterdamse architectenbureau Benthem Crouwel. Ze verplaatsten de werken naar de nieuwe vleugel, ook ontworpen door Benthem Crouwel. Dat was volgens mij al een bizarre keuze. Benthem Crouwel had de nieuwe vleugel speciaal gemaakt om tijdelijke tentoonstellingen onder te brengen en daartoe twee grote, flexibele en heel bruikbare ruimten gecreëerd – onder en boven een nieuwe entreehal, winkel en café. Zo kon de permanente collectie terug naar de galerijen waarvoor ze grotendeels was verzameld, en waar de meeste schilderijen en objecten glorieus uitkwamen in de statige opeenvolging van de gerenoveerde ruimten met hun daklicht van het oorspronkelijke gebouw.

Nu lijken deze zalen leeg, nu ze plaats bieden aan de malle vormen van de Borgmann-collectie die Ruf voor het museum heeft aangekocht. Intussen moesten de tijdelijke hallen achteraf weer worden verbouwd om de collectie te huisvesten – voor bijna 3 miljoen euro.

Voor de eerste helft van de tentoonstelling verzonnen Koolhaas en zijn club een reeks steunende metalen panelen verspreid over de uitgestrektheid van wel bijna duizend vierkante meter keldergalerij. BASE is een doolhof die bedoeld is om de bezoeker tal van verschillende paden door de geschiedenis te bieden (de tweede helft van de tentoonstelling staat in de galerij op de bovenverdieping, die minder ‘ontworpen’ en dan ook logischer en mooier van opzet is).

In het souterrain heerst er pure chaos. De conservatoren en inrichters hebben zo veel objecten opeengepakt dat we door de Mondriaans de Malevitsjen niet goed kunnen zien en andersom. Ik probeerde reuzendoeken in me op te nemen, zoals een tweeluik van Clyfford Still, en kon er niet ver genoeg vandaan staan om de omtrekken te zien. Soms leek het of ik oogkleppen nodig had om één schilderij te kunnen bekijken. Het lijkt wel alsof Ruf, onder druk gezet om oudere meesterwerken die haar niet echt konden bekoren terug te plaatsen, heeft gedacht: „Nou, als ze hun conservatieve rotzooi willen, gooi ik die gewoon voor ze op een hoop.”

Koolhaas schermt met innovatie, niet alleen in de algehele tentoonstellingsopzet, maar ook in het ontwerp van die wanden. Die zijn ultradun en moesten speciaal worden vervaardigd in Neerlands enige overgebleven staalfabriek. Een film bij de tentoonstellingsopening vertelt ons niet over de kunst, maar over de geweldige prestatie die dit was. (Ik hoop maar dat Tata Steel, de huidige eigenaar van Hoogovens, daarom een korting heeft gegeven.) Helaas zijn de platen niet, zoals in het werk van Richard Serra, ruw gelaten, maar zijn ze grijs geverfd en grotendeels achter witte panelen verborgen. Al wat er nog van te zien is, zijn een paar randen en de lelijke stutten die de dunne, maar naar ik aanneem zeer zware platen overeind houden. We zien geen echt staal, de afscheidingen werken minder elegant dan ouderwetse wanden met een houten of metalen lijst en ze zijn niet te verplaatsen. En het voordeel…?

Met BASE hebben Koolhaas en Ruf het Stedelijk en de Nederlandse kunstwereld een slechte dienst bewezen. Zelfbenoemde experts hebben de tradities van het Stedelijk genegeerd, geld verspild, en het voor ons onmogelijk gemaakt om van de schitterende kunst die er hangt te genieten. Het Stedelijk, Amsterdam en Nederlandse kunstliefhebbers verdienen beter.