Opinie

    • Wilfried de Jong

Federer is beland in het tenniswalhalla

Bij een service steeg zijn onderstel op. In slow motion. Twee kuiten, gevuld met gespannen spieren, zweefden voorbij. Daarna verschenen zijn roze tennisschoenen. Roze? Wat een kleur. Maar het stond hem goed. Alles staat Federer en klopt aan hem: zijn backhand, zijn opslag, zijn keuzes aan het net, zijn voetenwerk.

Aan zijn gezicht valt niets af te lezen, zelfs niet als tegenstander Cilic hem een tijd in de tang heeft. In de diepliggende ogen van Federer is nauwelijks onzekerheid te bespeuren.

Ik ging op zoek naar imperfectie. Tijdens de tweede set bestudeerde ik zijn bakkebaarden. Was daar dan misschien iets op aan te merken? Maar al snel gaf ik mijn onzinnige missie op.

Bakkebaarden, dat ordinaire woord paste niet bij de tennisheld. Langs zijn oren groeiden – zo verzon ik – ‘penseeltjes van zacht marterhaar, gedoopt in Van Dyke-brown.’

Uitkijken dat ik niet volslagen dweepziek werd.

Federer was ook maar een mens, toch?

In Melbourne won Federer zijn twintigste grandslamtitel en iedereen gunde het hem. Hij is een modelsporter waar niets op aan te merken valt. En dat is misschien het enige wat erop aan te merken valt.

Een mespuntje McEnroe zou Federer goed doen.

Op de tribune in Melbourne keek Rod Laver toe. De 79-jarige Australiër wist vroeger alle grandslams in één jaar te winnen, twee keer zelfs, maar in de blik van de oude vos was te lezen dat ‘de grootste tennisser aller tijden’ nu op de baan stond.

Tijdens de slotceremonie hield Laver zijn mobieltje in de horizontale stand. De oud-kampioen wilde een foto maken van Federer met de beker in zijn handen. Laver tikte ongedurig met zijn wijsvinger op het beeldschermpje; het digitale toestel was de man de baas die vroeger nog met een houten racket tenniste.

In het stadion en op televisie keek iedereen toe hoe Federer na de overwinning het woord nam. Eerst klonken de gebruikelijke bedankjes; voor de organisatie en natuurlijk de ballenjongens en natuurlijk de sponsor en natuurlijk het publiek en natuurlijk zijn eigen team en de familie.

Toen brak Federer.

De onderlip begon te trillen, zijn hoofd knikte naar beneden, hij greep met een hand naar zijn ogen en liet de tranen de vrije loop.

Tijdens het minutenlange applaus – het tonen van emotie werd ruimschoots beloond, ja, Federer was dus toch van vlees en bloed – bleef ik met één vraag zitten: waarom huilde hij na het behalen van zijn twintigste grandslam?

Was dit een uiting van blijdschap, vluchtte de stress van de afgelopen weken uit zijn lijf? Of zag ik het inzicht van een topsporter die zich met weergaloos tennis naar een buitenaardse plek had gespeeld waar nog niemand was geweest en ooit nog zal komen?

Federer is beland in het tenniswalhalla.

Op eenzame hoogte, moederziel alleen, met zijn roze schoentjes, een strak bespannen Wilson-racket en twintig grandslamtitels. Behalve hij weet niemand hoe dat voelt.

Wilfried de Jong is schrijver en programmamaker.
    • Wilfried de Jong