Column

Alles ligt ‘gevoelig’ nu er #elkedagophef is over beelden, bustes en woorden

Verwijderd is hij niet, maar een kopje kleiner gemaakt is Johan Maurits van Nassau-Siegen wel. Het terracotta beeldje dat het Mauritshuis van hem heeft geplaatst, is 35,4 centimeter hoog, blijkt bij navraag – terwijl zijn weggehaalde buste toch maar mooi 132 centimeter mat. Ook een manier om het verleden op maat te snijden, natuurlijk.

Het Haagse museum werd door het verwijderen van die buste meegezogen in het tumult over een beeldenstorm die over het land zou razen. Ten onrechte, vond directeur Emilie Gordenker, die sprak van „verschrikkelijk veel misverstanden”: dit was gewoon een verbetering zoals musea die voortdurend aanbrengen. Maurits had nu een eigen kamer, met dat beeldje – en die buste was dus niet langer nodig.

NRC, dat eerder over het verwijderen had bericht, plaatste de zaak dinsdag in context met een uitgebreide reconstructie.

Maar was het dus nepnieuws?

Eén lezer vroeg zich argwanend af of er licht zat tussen de eerdere toelichting van een woordvoerder van het Mauritshuis (dat de buste was verwijderd wegens de „groeiende maatschappelijke discussie” over het slavernijverleden) en de niets-aan-de-hand-uitleg van de directeur. Een „uitglijder” die achteraf werd gladgestreken?

Nu ja, de verklaringen dekken elkaar wel, al formuleerde Gordenker de zaken beduidend vager. Maar ook uit haar uitleg blijkt dat de „verbetering” samenhangt met de discussie over het koloniale verleden, waar het museum op werd aangesproken.

Je kunt de opwinding daarover hysterisch vinden, maar zó gek was het dus niet dat deze museale zelfcorrectie in de ‘beeldenstorm’ belandde. Volwaardig nepnieuws was het in elk geval niet. Wel een teken des tijds: met dank aan eigen en andermans ‘identiteit’ is het anno 2018 #elkedagophef. En zoals altijd wanneer je te lang in de spiegel staart, als mens of natie, zie je de gekte opgloeien.

Niet alleen bij beelden, ook op woordniveau. Gevoeligheid voor ‘beladen’ taal is de afgelopen jaren zowel bij lezers als op de redactie zelf alleen maar sterker geworden. Uiteraard bij het prijswinnende kickboksduo ‘wit’ en ‘blank’, dat ik hier al eens in de ring had (en waarbij de NOS nu ook partij kiest: wit krijgt de voorkeur). Maar ook bij niet-etnische beschrijvingen als ‘dik’, ‘oud’, die als stigmatiserend kunnen worden ervaren.

Waarom stáát dat er, is dan de vraag. Wat is de relevantie ervan? Wilt u mij, ons of iedereen kleineren? Vorige week tekende een lezer bezwaar aan tegen de (correcte) omschrijving ‘onecht kind’ bij een interview met een bioloog – die daarin ook vertelde over de (magere) band met zijn vader, een Nobelprijswinnaar.

Lang niet altijd is die kritiek onterecht. Alert zijn op stigmatisering of – vooral in geinige humor – meeliften met racistische stereotypen is niet meer dan terecht. Maar soms krijg je de indruk dat élke beschrijving van een persoon door een ander kan worden beleefd als een objectiverende schending van diens persoonlijke integriteit: ‘wie ben jij om mij te beschrijven?’ Zoals de aanblik van die buste al een affront kan zijn.

Uiteraard moeten journalisten op hun woorden letten. Maar in tijden van cultuurstrijd lijkt het soms of op elk woord een loden last rust en er een vorm van ‘tolerant’ lezen verloren is gegaan, het vermogen om te lezen met een korreltje zout en dus niet alles absoluut te nemen. In plaats daarvan lijkt het journalistieke universum overgedetermineerd: niets staat er ‘zomaar’, alles is zwanger van betekenis of geframed. Het motto wordt dan al snel: ‘gevoelige’ woorden alleen gebruiken als ze duidelijk ‘relevant’ zijn.

Daar worstelt ook de redactie mee. Het risico daarbij is doorschieten van botte ongevoeligheid naar koudwatervrees, hollen of stilstaan dus. Nog maar enkele jaren geleden haalde een kop met het beruchte N-woord moeiteloos de krant (met als gevolg woede tot in de Verenigde Staten), tegenwoordig gaan er soms al alarmbellen af bij elke ‘gevoelige’ verwijzing en wordt een etnisch adjectief geschrapt dat niet op het eerste gezicht onbetwistbaar relevant is. Maar als alles wat niet evident relevant is uit een stuk wordt verwijderd zodra het er een beetje om gaat spannen, blijft er met een beetje pech niet veel over.

Het punt is, totale relevantie eisen komt neer op ernstig overvragen van journalistiek, altijd een ruwe eerste schets van de werkelijkheid. Je rekenschap geven van de macht van woorden is één ding – woorden zijn niet neutraal (maar: ook niet magisch) – maar eisen dat alles aan beschrijvingen, observaties, geuren en kleuren in een stuk ‘relevant’ moet zijn, maakt van die ruwe schets een onwrikbare Stenen Tafel.

Relevantie, dat afgepeigerde trekpaard van de journalistiek, is trouwens ook zelden onbetwistbaar. Feiten of beschrijvingen blijken vaak pas achteraf of zelfs na jaren relevant. Journalisten zijn evenmin de enigen, of bevoorrechten, om relevantie te wegen; de lezer heeft er ook een aandeel in – en wat de een triviaal vindt, is voor de ander wezenlijk.

Oekazes zijn er aan dit verhitte front bij NRC niet gekomen, over ‘wit’ of ‘blank’ bijvoorbeeld, en dat is maar goed ook. De krant wil pragmatisch zijn, werd vrijdag nog eens uitgelegd in een verhelderend stuk over die gepolitiseerde kleur-aanduidingen. Het beste wapen tegen stigmatisering blijft brede en gevarieerde verslaggeving.

Nadenken over beelden, woorden of bustes, prima. Maar alles aanklagen of weren wat niet onmiddellijk relevant is, leidt tot schrijfkramp en uitgebeend, bloedeloos proza – een museum met keurige onderschriften, maar zonder schilderijen.

Reacties: ombudsman@nrc.nl