‘Wil je een kind van mij als ik dood ben?’

Ingevroren zaad

Als hij chemotherapie moet ondergaan, krijgt Lucas Brouwers te horen dat hij zaad kan laten invriezen. Dat roept veel vragen op.

Foto iStock

Het is mei 2017 en het nieuws is slecht. Vorige week is mijn rechterzaadbal verwijderd nadat er een tumor in werd gevonden. Nu blijkt de kanker ook uitgezaaid naar twee lymfeklieren in mijn onderbuik. Over anderhalve week begin ik met chemotherapie.

Als jonge man van dertig jaar wordt mij aangeraden om mijn sperma in te laten vriezen. De kans bestaat dat de chemokuren mij onvruchtbaar maken. Ook dat nog.

Mijn vriendin en ik hadden net een maand geleden giechelend besproken dat we het misschien maar moesten gaan proberen. We hebben allebei een vaste baan, hebben twee jaar geleden een huis gekocht en zijn dolgelukkig. Een kindje zou nu heel goed in ons leven passen.

Maar na deze week gaan alle plannen en dromen overboord. De komende maanden draait alles om beter worden. Het ingevroren zaad wordt een verzekering voor later, als het stof is neergedaald.

Het laten invriezen van zaad wordt in Nederland aangeboden aan jongens en mannen die chemotherapie krijgen of een andere behandeling die de vruchtbaarheid bedreigt. Jongens die hun eerste zaadlozing hebben gehad komen ervoor in aanmerking.

Voor het invriezen verwijst mijn oncoloog me door naar het LUMC in Leiden. Voordat ik daar in een potje mag ejaculeren, krijgen mijn vriendin en ik een spoedcursus balkunde van de vruchtbaarheidsarts.

Geen garantie

Eerst moet duidelijk worden óf mijn overgebleven bal wel spermacellen produceert. Het komt soms voor dat één bal niet bijdraagt aan de spermaproductie. Daar schrikken we van. Hadden we dat niet even moeten checken vóór er een bal werd weggesneden?

We leren ook dat ontdooide zaadcellen van mindere kwaliteit zijn dan verse en dat het invriezen van zaad geen garantie is voor een zwangerschap.

Tot slot moet ik een bewaarovereenkomst tekenen, vier kantjes lang. Daar staan onder meer de voorwaarden in die het LUMC aan het gebruik en de opslag van zaad stelt. Er staat in dat als ik de rekeningen niet betaal, zestig word of overlijd, mijn zaad wordt vernietigd. Ik zou mijn vriendin per brief toestemming kunnen verlenen om ook na mijn dood een kind te verwekken met het ingevroren zaad. Het LUMC werkt niet mee aan het tot stand brengen van zo’n ‘postume zwangerschap’, maar mijn vriendin zou in dat geval bij een andere kliniek terecht kunnen.

In de auto terug naar huis zijn we allebei stil en van slag. Ik had niet verwacht dat er voorwaarden zouden worden gesteld aan het gebruik van mijn sperma. Het steekt dat anderen vanaf nu meebeslissen over het lot van mijn zaad en onze kinderwens.

In de weken erna praten we na met familie, vrienden en collega’s. De meesten reageren verbaasd. Waar bemoeien ze zich mee? Maar de nuchterste van mijn collega’s wijst erop dat nu ik straks misschien artsen nodig heb om een kind te verwekken, zij ook het recht hebben een morele afweging te maken.

Ik heb tijd om drie keer zaad in te leveren voordat de chemo begint. Zaad mag je ‘produceren’ in een kamertje in het LUMC met eilandposters en een touchscreen waar je filmpjes aan kan klikken met titels als ‘Man met blondine, van achteren’.

Gelukkig, er zitten spermacellen in mijn zaad. De kwaliteit is de eerste keer goed, de tweede en derde keer matig. Bij elkaar is het genoeg om mee te werken.

Thuis blijft ons gesprek in Leiden door mijn hoofd spoken. „Zou jij hoe dan ook een kind van me willen? Ook als ik er niet zou zijn om het te helpen opvoeden?” vraag ik in de derde week van mijn chemotherapie. Mijn haar is begonnen met uitvallen. Ik voel me meer patiënt dan mezelf.

„Ja.” Haar antwoord geeft me troost. Het is zonder meer het liefste dat iemand ooit voor me over heeft gehad.

En toch stuur ik de brief waarin ik haar toestemming geef voor ‘postmortaal gebruik van semen’ niet op. Als het onverhoopt mis zou gaan, wil ik haar niet opzadelen met een loodzware verplichting. En al helemaal niet met een schuldgevoel als ze na mijn dood uiteindelijk zou besluiten het niet te doen.

Foto Koen van Weel/ANP

Het is een half jaar later en het nieuws is goed. Op scans en in mijn bloed zijn alle sporen van kanker verdwenen.

Nu mijn zaad veilig is opgeslagen, ben ik benieuwd hoe andere ziekenhuizen en medische centra omgaan met ingevroren sperma, en specifiek met het gebruik van ingevroren zaad van mannen met een slechte prognose of mannen die al overleden zijn. De moeilijke vraag die onder deze kwestie ligt is: mag een arts een kind op de wereld zetten zonder vader? Of een kind waarvan vrij zeker is dat de vader binnenkort zal overlijden?

De NVOG (beroepsvereniging van obstetrici en gynaecologen) schrijft voor dat „artsen moeten afzien van hulp bij voortplanting als naar hun mening sprake is van een groot risico op ernstige schade voor het kind”. Artsen mogen zelf die afweging maken. Zolang ze hun overwegingen met collega’s bespreken in een moreel beraad en hun besluit zorgvuldig beargumenteren en toelichten.

Online vind ik dertien ziekenhuizen in Nederland die om medische redenen sperma invriezen. Meestal gaat het om mannen onder de 30 jaar met leukemie, lymfeklierkanker of zaadbalkanker, blijkt uit Rotterdams onderzoek. Het is niet duidelijk hoeveel mannen dit doen. Ieder jaar krijgen meer dan duizend jongens en mannen tussen 10 en 40 jaar in Nederland kanker.

Ik vraag de dertien ziekenhuizen om de bewaarovereenkomsten die zij afsluiten met patiënten. Zo nodig stel ik aanvullende vragen. Twaalf reageren er op tijd. De rondgang legt grote en kleine verschillen bloot.

Het Isala Fertiliteitscentrum in Zwolle is de enige instelling die zegt dat een slechte prognose van de man géén reden kan zijn om hulp bij zwangerschap te weigeren. „Natuurlijk wordt dit zorgvuldig besproken met de partner. Heeft het paar de consequenties scherp voor ogen?” zegt klinisch embryoloog Max Curfs.

Acht van de twaalf ziekenhuizen zeggen dat een slechte gezondheid van de man een reden kan zijn om behandeling te weigeren, maar dat daar geen criteria voor zijn opgesteld. „Elke casus wordt individueel bekeken”, zegt een woordvoerder van het VUmc.

Drie ziekenhuizen hebben wel voorwaarden geformuleerd. Dat zijn het LUMC, het Erasmus MC in Rotterdam en UMC Groningen. Zij geven aan dat een man respectievelijk één of twee jaar ziektevrij moet zijn voordat met een zwangerschapsbehandeling kan worden gestart.

Alle drie de medische centra benadrukken dat het gaat om richtlijnen waar van afgeweken kan worden. „Bij ziekten met een goede prognose kan die ziektevrije periode ook korter zijn”, zegt een woordvoerder van het UMC Groningen. LUMC en ErasmusMC nemen vergelijkbare posities in. „Wij hanteren dat advies omdat het simultaan opstarten van een intensief voortplantingstraject en een oncologische behandeling erg belastend kan zijn”, zegt Marij Dinkelman-Smit, uroloog-androloog in het Erasmus MC.

Mijn prognose is goed. Maar stel dat ik een twijfelgeval was geweest. Dan ís het denkbaar dat een arts in Utrecht een behandeling niet verantwoord vindt, en een arts in Zwolle wel.

„Wij zien dat niet als een probleem”, zegt gynaecoloog Didi Braat bij het Radboudumc. Braat voert binnen de beroepsvereniging NVOG het woord als het gaat om invriezen van zaad. „Voorop staat dat het ziekenhuis helder maakt waarom het niet overgaat tot behandeling. Het is prima als mensen een second opinion vragen.”

Foto Lex van Lieshout/ANP

„Dat artsen tot verschillende afwegingen kunnen komen is niet erg”, vindt ook Wybo Dondorp, medisch ethicus bij Maastricht University. Dondorp was als ethicus betrokken bij het opstellen van richtlijnen die de NVOG hanteert. „De vraag is wel of het voor het welzijn van het kind niet genoeg is als ten minste één van beide ouders naar verwachting in staat is het kind tot aan de volwassenheid te begeleiden.”

Als het aankomt op postume voortplanting, dus als de man al is overleden, zijn sommige klinieken duidelijk strenger dan andere. Tien van de twaalf ziekenhuizen laten weten dat ze geen principiële bezwaren hebben tegen ‘postume zwangerschappen’. Maar het verzoek zal altijd gewogen worden in interdisciplinair overleg.

Het UMC Groningen en LUMC zijn de enige ziekenhuizen die als uitgangspunt hanteren er niet aan mee te zullen werken. „Wij vinden dat een kind het recht heeft een biologische vader te leren kennen”, laat het UMCG weten.

Dat is „een merkwaardig argument”, vindt medisch ethicus Wybo Dondorp. „Voor zover dat recht bestaat, gaat het er om dat het kind weet van wie het afstamt, wat heel wat anders is dan met iemand een relatie kunnen aangaan”, zegt Dondorp. „Dat het kind een van zijn beide biologische ouders al bij voorbaat moet missen is niet fijn, maar ‘niet fijn’ is niet genoeg om hulp bij voortplanting af te wijzen.”

Dondorp vermoedt dat dit argument is overgewaaid uit de discussie omtrent anonieme spermadonors en de Wet donorgegevens uit 2004, die bepaalt dat kinderen die zijn verwekt met zaad van een spermadonor op hun zestiende het recht hebben te weten wie die donor is. „Je mag toch aannemen dat een moeder het verhaal in liefde zal vertellen. Dat de vader er niet meer was toen het kind werd verwekt, maar dat ze het samen belangrijk vonden om jou te krijgen.”

Voor artsen is het belangrijk dat het besluit om een kind te krijgen van een overleden partner niet middenin de rouwperiode genomen wordt. De NVOG schrijft voor dat vrouwen twee jaar moeten wachten na het overlijden van de man. Het is bedenktijd, waarin de vrouwen psychologische counseling krijgen. De meeste vrouwen zien na die periode alsnog af van een zwangerschap, zegt Didi Braat, woordvoerder van de NVOG.

Ziekenhuizen geven aan dat verzoeken voor postume bevruchting zeldzaam zijn. „In de afgelopen negen jaar is er twee keer een verzoek geweest, waarbij één keer daadwerkelijk is overgegaan tot postmortaal gebruik van sperma”, zegt een woordvoerder van het Rijnstate in Arnhem. Het Erasmus MC in Rotterdam kreeg in de afgelopen tien jaar acht verzoeken; zes vrouwen zijn ook echt behandeld. Uiteindelijk zijn hier twee kinderen uit geboren.

Thuis is het tijd voor nieuwe vragen. Ben ik nog vruchtbaar? Wanneer willen wij kinderen? Wachten? Nu?

Gelukkig hebben we opties. Omdat mijn zaad is opgeslagen. In doorzichtige rietjes. Onder een deken van vloeibaar stikstof. Min 196 graden Celsius koud.