Foto Annabel Oosteweeghel

Tachtigplus, maar nog lang niet met pensioen

Werkende senioren Het aantal ouderen dat blijft werken neemt toe. Wie zijn zij?

Terwijl het gros van de senioren ergens halverwege de zestig met pensioen gaat, is er een kleine groep die niet van stoppen weet. En dat aantal groeit, volgens het CBS. Het gaat niet alleen om zestigers en zeventigers, maar ook om tachtigplussers en zelfs een enkele negentiger. In september 2017 stonden er 2.700 tachtigplussers op de loonlijst van Nederlandse organisaties, oftewel 0,35 procent van alle tachtigplussers. Onder hen ruim drie keer zoveel mannen als vrouwen. De meesten werken maximaal twaalf uur per week, zevenhonderd hebben een voltijd dienstverband.

De meeste tachtigplussers met een dienstverband werken in de groot- en detailhandel en de financiële dienstverlening. Ook werken er veel ouderen in de verhuur en het beheer van onroerend goed en in de landbouw. Voor die laatste groep geldt dat ze vaak doorwerken omdat een opvolger moeilijk te vinden is. Uit de Enquête Beroepsbevolking (EBB) blijkt dat er naast ouderen in loondienst ook nog heel wat senioren als zzp’er werken. In het derde kwartaal van 2017 waren er 16.000 zzp’ers van 75 jaar en ouder, naast 2.700 75-plussers in vaste dienst en 6.000 flexwerkers. Ofwel: 1 op de 50 mensen van 75 jaar of ouder had betaald werk.

Het groeiende aantal werkende ouderen houdt rechtstreeks verband met de stijgende leeftijd in Nederland. Op 1 januari 2017 woonden in ons land 2.225 honderdplussers, ruim tweemaal zoveel als twintig jaar geleden. Er kwamen ook meer tachtigers en negentigers: tussen 1997 en 2017 nam het aantal tachtigers met 52 procent toe, het aantal negentigers met 90 procent.

Lees ook ons nieuwsbericht over de CBS-cijfers: Nederland telt 2.700 werkende 80-plussers

Tonny Weidner-van der Staaij (85), pianolerares uit Leiden

Foto Annabel Oosteweeghel

‘Al vanaf mijn achttiende geef ik pianoles en dat is nooit gaan vervelen. Muziek houdt me heerlijk op de been, ook al ben ik laatst gevallen en heb ik nu wat gekneusde ribben. Ik geef les aan acht leerlingen en werk nog zo’n tien uur per week. Afbouwen lukt me maar niet, want er gaat nooit een leerling weg. Vorig jaar had ik een mevrouw aan de lijn die haar zoon bij mij op les wilde doen, omdat de muziekschool geen nieuwe leerlingen aannam. Ik ook niet, maar ze vroeg of haar zoon dan een maand op proef mocht komen. Hij is er nu anderhalf jaar en heeft echt talent – de les loopt altijd uit. Maar nu neem ik echt niemand meer aan, hoor!

„Ik geef les aan huis. Vroeger gaf ik ook ’s avonds les, maar daar ben ik mee gestopt. Zelf studeer ik elke dag zo’n twee tot drie uur, dat vind ik heerlijk. Daarna fiets ik veel. De polder in, eitjes halen bij de boer. Ja, mijn dagen zitten behoorlijk vol. Naast mijn lessen heb ik ook kinderliedjes gecomponeerd, mijn zus schreef de teksten. Ze zijn verschenen in een bundel, Een mandje vol amandelen. En ik maakte de pianobegeleiding voor bestaande kinderliedjes. Ik heb ook eens een musical gemaakt, die in 1967 door de toenmalige AVRO werd uitgezonden.

„Het muzikale talent heb ik geërfd van mijn moeder. Zij was dienstmeisje bij een pianolerares. Omdat ze goed kon zingen, wilde die mevrouw haar gratis pianoles geven, maar daar stak mijn grootmoeder een stokje voor. Die had tien kinderen en vond dat mijn moeder haar tijd beter kon besteden aan het huishouden thuis. Zelf heeft mijn moeder de meesten van haar zeven kinderen wél naar muziekles gestuurd. Zo is het gekomen, ik heb geluk gehad. Mijn kinderen zijn ook allebei beroepsmusicus geworden.

„Toen ik zestig was, wilde ik even afstand nemen van mijn werk en ben ik naar Rome gefietst. In die tijd dacht ik veel vaker aan met pensioen gaan dan nu. Maar na die fietstocht schoof ik mijn pensionering steeds voor me uit. Ik houd contacten door mijn werk en heb daardoor leuke mensen om mij heen. De leerlingen komen hier graag, ook al ben ik streng. En zolang zij het leuk blijven vinden, blijf ik mijn werk ook leuk vinden. Ik ben een gelukkig mens daardoor, want tijd om over kwaaltjes te praten heb ik niet. Ik ben een echte bofferd.”

Tiny Bolk (91), café-eigenaar uit Maastricht

Foto Annabel Oosteweeghel

‘Ik werk nog elke dag, alleen op woensdag is het café dicht. ’s Morgens maak ik mijn huis en het café schoon, om half twee ’s middags ga ik open. Om twee uur ’s nachts sluit ik af, als de laatste klanten weg zijn. Daarna ruim ik nog een beetje op en dan lig ik om een uur of drie, half vier in bed. Ik maak dus nog werkweken van ruim zeventig uur. Vroeger ging ik al om 9 uur ‘s ochtends open, nu pas ’s middags. Het scheelt dat ik naast het café woon. In het weekend is het het drukst, dan komen er naast de vaste gasten ook veel wandelaars en fietsers langs.

„Ik doe alles in mijn eentje, ik heb geen personeel. Alleen op zondag komt mijn zoon weleens helpen als het druk is. Tot een jaar of vier geleden verzorgde ik ook maaltijden voor de gasten, maar dat werd me te veel. Verder kan ik de drukte nog prima aan. Ik ben vanaf mijn twaalfde, toen ik mijn ouders in het café ging helpen, ook niet anders gewend. Als de gasten wat te veel op hadden en schuine mopjes gingen vertellen, zei mijn moeder: ‘Kind, ga jij maar naar achteren.’ Toen mijn ouders 63 waren, heb ik het café overgenomen.

„Op mijn vrije dag ga ik weleens de stad in. Of ik lees de krant en kijk wat naar buiten. Maar ik word eigenlijk vermoeider van een vrije dag dan van werken. Werken is goed tegen de eenzaamheid. Ik ben graag onder de mensen, dan praat ik met ze over de politiek, over het leven. Dat vinden de gasten gezellig.

„Mijn drie kinderen hebben allemaal een goede baan, die zullen het café niet zo gauw overnemen. Maar mijn kleinzoon van in de twintig vindt het wel leuk, hij wil er misschien weer een eetcafé van maken. Voorlopig blijf ik het café zelf runnen, want ik ben nog goed gezond. Het gaat alleen allemaal wat langzamer dan vroeger. Altijd maar op een stoel zitten, dat is niet goed voor een mens. Elke ochtend bedank ik die meneer daarboven dat ik weer wakker geworden ben. Ik hoop dat hij me voorlopig nog niet nodig heeft.”

Casper Bottemanne (78), administrateur uit Alphen aan den Rijn

Foto Annabel Oosteweeghel

‘Mijn hele werkzame leven ben ik administrateur geweest. Vóór mijn pensionering werkte ik ruim 22 jaar bij trustbedrijf MeesPierson, eerst in Amsterdam en daarna in Rotterdam. Daar stelde ik voor een groot aantal vennootschappen complete financiële administraties met jaaroverzichten op. Ik had, en dat was het interessante van die baan, veel contact met accountants, belastingadviseurs, de Belastingdienst, notarissen en de aandeelhouders van deze vennootschappen.

„Op mijn zestigste, in 1999, moest ik weg omdat in de cao stond dat dat de pensioenleeftijd was. Maar ik wilde nog helemaal niet stoppen met werken. Ik ben toen als freelancer gaan werken bij een oud-collega en via hem kwam ik weer aan andere administratieve werkzaamheden. Nu werk ik als zzp’er bij een trustkantoor in Den Haag. Ook maak ik voor een groot aantal vennootschappen de benchmarkrapportages ten behoeve van De Nederlandsche Bank. Die moet weten wat de vorderingen en verplichtingen zijn ten opzichte van het buitenland. Thuis verzorg ik nog de administraties van een aantal andere bedrijven. Ik werk al met al 25 tot 30 uur per werk: twee, soms drie dagen bij het trustkantoor en nog een aantal uren thuis.

„Het gebeurt weleens dat ik via via word gevraagd voor een nieuwe klus. Dat doe ik dan, als het niet te veel tijd kost. Verder heb ik nog drie penningmeesterschappen: van het Instituut Voor Natuureducatie (IVN), van de Koninklijke Nederlandse Natuurhistorische Vereniging (KNNV) en van ZZP Alphen aan den Rijn. Maar dat is allemaal vrijwilligerswerk. Bij de KNNV en het IVN en de Vogelwerkgroep Koudekerk-Hazerswoude kan ik me uitleven in mijn grote hobby: het kijken naar vogels.

„Ik werk nog omdat ik er nog steeds veel plezier aan beleef. Elk jaar bespreek ik met de directie van het trustkantoor of ik nog een jaar zal doorgaan. Het leeftijdsverschil met mijn collega’s levert geen enkel probleem op, ik ben volwaardig lid van het team. Ik kan zelf mijn werktijden en vrije dagen bepalen en dat is een van de plezierige aspecten van dit werk. De twee dagen dat ik naar het trustkantoor ga, neem ik een vroege trein, dan kan ik tenminste nog zitten. Als het aan mij ligt, blijf ik nog een poosje doorwerken, zo lang lichaam en geest dat toelaten.”

Diet Krieger (80), personeelsadviseur uit Rotterdam

Foto Annabel Oosteweeghel

‘Ik ben mijn loopbaan begonnen als administratieve kracht in de detailhandel, maar gaandeweg ontdekte ik dat ik het contact met mensen leuker vond dan finance. Tot ik bijna 69 was, werkte ik fulltime bij een bedrijf met vestigingen in het hele land. Ik was dus veel onderweg. Er waren dagen dat ik om vijf uur ’s morgens in de auto zat en 400 kilometer op een dag reed. Na mijn pensionering ben ik op freelancebasis gaan werken bij drie verschillende bedrijven. Ik bespreek problemen met werknemers, bijvoorbeeld als ze ziek zijn. Ik heb dus veel contact met de arbodienst. Verder doe ik boekhoudkundig en administratief werk. Ook heb ik veel sociale plannen begeleid bij reorganisaties.

„Sociale wetgeving is een hobby van me, ik houd alles op dat gebied bij. Zakelijk rijd ik nog steeds gemiddeld 250 kilometer per week, maar ik probeer wel slim om te gaan met de files. Gemiddeld werk ik nog twintig uur per week, al is het per week erg verschillend. Een baan van negen tot vijf heb ik in elk geval nooit geambieerd. Het maakt me ook niet uit hoe laat ik thuis ben. Ik heb altijd een overlevingspakket bij me voor in een hotel, als de dag te lang zou worden. Al is dat tot nu toe nog nooit gebeurd. Als iemand tegen me zegt: ‘Jij bent ook niet meer de jongste!’, dan ga ik daar nooit op in. Werken geeft me voldoening, het is fijn om mensen verder te helpen. Ik doe het met veel plezier en volle inzet.

„Naast mijn betaalde werk doe ik ook veel vrijwilligerswerk, onder meer in de kerk. Daar ben ik penningmeester en zit ik in een groep die actief is in een achterstandswijk. En ik geef Nederlandse les aan vrouwen met diverse nationaliteiten. Ik vind dat heel leuk, al die sociale contacten. En ik heb nog een hele leuke hobby: archeologie. Ik ga regelmatig naar Cyprus om opgravingen te bekijken. Ja, mijn dagen én avonden zijn gevuld!

„Ik zie wel hoe lang ik nog kan werken. Als het aan mij ligt, werk ik gewoon door. Ik heb stoppen met werken eigenlijk altijd iets heel vreemds gevonden. Niks doen is zó slecht voor een mens. Mijn advies: blijf dingen doen, ook als je geen zin hebt.”

    • Friederike de Raat