Op zoek naar poëzie, in een four-wheel-drive

Dichtkunst Saoedi-Arabië

De Nederlandse arabist Marcel Kurpershoek is al dertig jaar in de ban van bedoeïnenpoëzie. zocht hem op in Saoedi-Arabië, tijdens de opnamen van een Arabische tv-serie. ‘Het is niet langer taboe om over de eigen stam te spreken.’

Still uit de tv-serie ‘The last traveler, over bedoeïnenpoëzie van arabist Marcel Kurpershoek.

In een desolaat deel van de Golfkust is de Nederlandse arabist Marcel Kurpershoek verwikkeld in een vurig debat met Abdul Hadi al-Ajmi, een nazaat van de Saoedische bedoeïenendichter en stamleider Rakan ibn Hithlen (1814-1892). Ze praten over diens werk. Terwijl het water zachtjes klotst op de met plastic zakken en andere rotzooi besmeurde rotsen, draaien de camera’s van tv-station Al-Arabiya.

Rakans poëzie is nog altijd geliefd onder zijn stamgenoten in het noordoosten van Saoedi-Arabië. Vanaf de plek waar wij zitten werd hij rond 1870 door Turkse heersers afgevoerd naar een gevangenis in het Servische Nis. „De Turken vonden hem te lastig”, zegt Kurpershoek. „Hij maakte ruzie met andere stammen en liet zijn mannen karavanen overvallen.”

Kurpershoek is kenner van de bedoeïenenpoëzie. Hij vertelt dat Rakan in een gedicht jonge vrouwen van zijn stam waarschuwt: „Meisjes van Yam, blijf uit de buurt van de slager, mijd het huis van deze bastaard.” Wanneer de camera even uit staat, vraagt Abdul Hadi, burgemeester van de oasestad Hofuf: „Wist je dat Rakan dat dichtte omdat hij bij zijn arrestatie in een valstrik was gelokt door een slager? Alleen kan ik dat niet voor de camera zeggen, anders krijg ik moeilijkheden met zijn nabestaanden.”

De gesprekken over Rakan maken deel uit van een nieuwe programma-serie van zender Al Arabiya over de bedoeïenenpoëzie in Saoedi-Arabië. De eerste serie, eveneens verzorgd door Kurpershoek en vorig jaar uitgezonden, was een groot succes. Gestoken in traditionele kleding reisde hij naar afgelegen woestijnoorden, waar befaamde dichters hadden geleefd. Daar sprak hij met nabestaanden over hun gedichten en droeg die met veel elan voor. Sindsdien wordt de Nederlander vaak door Arabieren op straat herkend.

Voor deze nieuwe tv-serie draagt Kurpershoek een spijkerbroek, trui en ghotra, een traditionele rood-wit geblokte doek, die om hoofd en hals kan worden gedrapeerd. Vol overgave stort de 68-jarige Kurpershoek, oud-ambassadeur voor Nederland in onder meer Turkije en Polen, zich in elk gesprek. „Zijn Arabisch is geweldig en hij kan zelfs het bedoeïenen-accent heel goed nabootsen”, zegt een jong lid van de Ijman-stam bewonderend.

Marcel Kurpershoek in de woestijn.Foto Floris van Straaten

Nomadisch bestaan

Voor veel bedoeïenen is het leven in een paar generaties ingrijpend veranderd. „Mijn grootmoeder heeft als meisje nog het bedoeïenenbestaan in tenten meegemaakt”, zegt Mohammed, zoon van Abdul Hadi al-Ajmi. „Met haar familie en de dieren leidde ze een nomadisch bestaan. Schrijven kon ze niet.” Zelf studeert Mohammed, net als veel generatiegenoten van zijn stam, aan een Britse universiteit. Hij is overgekomen voor de kerstvakantie en heeft zijn traditionele kledij aangetrokken: een lang wit hemd en een ghotra.

Niemand van de bedoeïenen woont meer in een tent, de meesten hebben comfortabele huizen in de steden. En als ze ergens heen willen, nemen ze niet langer een dromedaris maar een four wheel drive – in het geval van de bedoeïenenelite bij voorkeur een dure. Wat wel nog aan hun oude bestaan herinnert, zijn de markten waar dromedarissen worden verhandeld. „Maar die fungeren tegenwoordig vooral als statussymbool”, vertelt Kurpershoek. Ook mogen bedoeïenen nog graag hun tanden zetten in een kamelensteak, getuige de talrijke slagerszaken met kamelenvlees langs de weg.

Rakan Ibn Khaled Mohammed is ook een nazaat van de dichter. Zijn familie heeft veel aanzien, omdat Fahda, de moeder van de Saoedische kroonprins Mohammed bin Salman, uit hun streek komt. De Rakans bezitten uitgestrekte landerijen in deze wat groenere streek. Niet voor niets koos de dichter juist dit relatief vruchtbare gebied, toen de Turken hem – volgens de overlevering na betoonde heldenmoed in een oorlog – een nieuw stuk land aanboden.

De camperFoto Floris van Straaten

Geitenkaaskoekjes

Op een heuvel met uitzicht op groene akkers en eindeloze woestijn, heeft de familie van Rakan Ibn Khaled Mohammed een grote tent laten opzetten naast een modern onderkomen. De mannen trekken zich daar in de relatief koele winter graag terug rond een houtvuurtje, met kleine glaasjes zoete thee, dadels en geitenkaaskoekjes binnen handbereik. Vrouwen zijn er niet te bekennen.

Buiten staan vrachtwagens met aanhangwagens, een soort supercampers. „Daar gaan we graag de woestijn mee in, als het net geregend heeft en de hele woestijn opbloeit”, legt een lid van de stam uit. „Het is ook fijn voor oudere leden van onze stam die slecht ter been zijn.” Een van de wagens is een gift van een prins. Trots toont het stamlid de luxe ontvangstkamer en de badkamer met jacuzzi.

De poëzie blijft een belangrijk deel van het erfgoed. Veel ouderen zijn grootgebracht met de gedichten die bedoeïenenmannen met elkaar deelden als ze samen in een kring zaten. Zo wordt het moeizame leven dat veel bedoeïenen eeuwenlang hebben geleid, doorgegeven: hun trek met kamelen van de ene weide- en waterplaats naar de andere. Opvallend is dat de gedichten absoluut niet preuts zijn en veel humor bevatten.

Lange tijd keurden de Saoedische autoriteiten dit soort poëzie af. Zeker in de jaren na 1979, toen de strenge wahabitische variant van de islam met harde hand werd opgelegd. Alles wat seculier was – zoals veel van de bedoeïenenpoëzie – was in de ogen van de religieuze haviken verdacht. Ze beschouwden het als een stap naar het hellevuur.

Tijdens een rit door de woestijn in Abdul Hadi’s four-wheel-drive, vertelt Kurpershoek dat zijn eerste boek over de bedoeïenenpoëzie, De laatste bedoeïen, lange tijd verboden was in Saoedi-Arabië. „Er was zelfs een Saoediër die dreigde me bij het Internationaal Strafhof aan te klagen.” De bedoeïenenpoëzie, waarvan een groot deel alleen mondeling is overgeleverd, dreigde zo uit te sterven.

Maar in 2013 was Kurpershoek plotseling welkom op een conferentie in Riad en niet lang daarna werd zijn boek zelfs verfilmd. Tot zijn vreugde neemt de belangstelling voor bedoeïnenpoëzie sindsdien toe. „De kroonprins zegt nu dat het land terug moet naar de islam van voor 1979. Het is niet langer taboe om over de eigen stam te spreken. Veel stammen hebben websites en concurreren met elkaar. Dit land is nog altijd door en door tribaal. De islam heeft iets heel algemeens, zeker in de wahabitische versie. De mensen beseffen nu weer hoe ze in hun eigen aarde wortelen via hun stam.”

Het interieur van de camper.Foto Floris van Straaten

Renaissance

Ook de bedoeïenenpoëzie beleeft hierdoor een renaissance, al zegt het veel jongeren niet zo veel. „Mijn dochter van veertien is veel meer in Westerse popmuziek geïnteresseerd”, zucht Mishal Bin Khalid bin Hithlen, een nazaat van Rakan, die onder meer een tv-zender bezit die zich specialiseert in programma’s over kamelen. „Ik wou dat ze wat meer gevoel had voor onze eigen cultuur.” Kurpershoek maakt zich geen zorgen: „Als ze iets ouder zijn, zien velen er toch de waarde van in.”

Aan de rand van de woestijn voert Kurpershoek een lang gesprek met Khalid bin al-Id al-Ajmi (42), een telg van de stam. De man werkt bij de brandweer in Koeweit en bestudeert de dichtkunst van Rakan al meer dan twintig jaar. Hij draagt het ene na het andere gedicht voor: over het overlijden van zijn favoriete paard, het roven van kamelen. Meestal doet hij dat op de maat van de passen van een kameel in de woestijn, zoals veel van de bedoeïenenpoëzie.

„Dit is echt fantastisch”, roept Kurpershoek . „Deze man kent zoveel gedichten van Rakaan! Dit moet voor het nageslacht bewaard worden.”

Terwijl de Arabist hardop nadenkt in welk museum het geluidsmateriaal thuishoort, zakt achter hem de zon bloedrood weg in de onmetelijke woestijn.

Arabist Marcel Kurpershoek op een still uit de tv-serie ‘The last traveler, over bedoeïnenpoëzie.

Drie Bedoeïnendichters:

Fragment van een gedicht van Hmedan al-Shwe’ir (circa 1680-circa 1740) over zijn schoondochter. Kurpershoek verzorgde over Hmedans werk het net uitgekomen Arabian Satire:

In haar onbeschaamdheid verspilt ze zijn geld:

Als ze het dadelhok plundert, knippert hij niet met zijn ogen

Al voor de dag aanbreekt is ze op en stopt zich vol met gebak,

Nadat ze de oven de hele nacht vol heeft laten aanstaan.

In het ochtendlicht maakt ze haar ogen op met zwart,

Verlangend naar zijn stijve pik om haar poesje te beroeren,

In de late middag zit ze opgevouwen op bed,

Hunkerend om zich te laten krabben aan de jeuk van binnen.

Ze stopt zich vol met boter, een zadeltas vol,

Om haar kut nauw en gloeiend heet te maken.

Fragmenten van dichteres Bakhut al-Murriyah (twintigste eeuw):

Weg met jou, wrede vader zonder mededogen!

Laat de vijand je kamelen roven en jij staat machteloos!

Hij liet me in de woestijn, zij vierden het Feest in de stad,

De meisjes tekenden henna op hun hand, behalve ik.

Alleen het duivelse maaksel van de ongelovigen kan me er brengen:

Een rode truck, krachtig door zijn schone motorkleppen.

Ik verlang naar de tent van geitenhaar, weg uit het huis van leem,

Zoals ik verlang naar een horizon vol witte kamelen.

Mijn hart kreunt als een MAC op zware banden

Driftig geschakeld, er is geen weg terug!

De zandheuvel op gaat hij in four-wheel drive;

Omlaag laat hij hem zacht glijden tot onderaan.

Ik wil geen chauffeur of werkopzichter:

Een jongen die kamelen weidt waar het bliksemt − die wil ik!

Mijn hart gromt als een MAC die klimt in het zand,

Hij schakelt in de achteruit, in double zwoegend vooruit;

Een zware oplegger, beladen met stapels oliepijpen;

Bij vol gas snijdt zijn gekreun door hart en ziel.

Alle dichters zijn gevangen in een woestijnvallei:

Ik smeet de deur dicht in hun gezicht.

Alleen Ibn Sahil, die Hadi−

Hij smeerde hem ’s nachts, is niet meer gezien.

Rakan ibn Hithlen, sjeik van al-Ijmān (1814-1892):

Mijn stam is voorbij al-Summan en ik zit bij de Turken,

Tussen hen en mij ligt rug op rug van bergen.

Tussen ons ligt de Syrische Hawran, een hoge vlakte:

Onze woestijnzeden zijn er onbekend!

Tussen ons een zee van klotsend geweld:

Tussen ons honderden dreunende golven.

Eerst brak ik mijn zwaard op des vijands rug:

Nu ligt het wapen nutteloos op de grond.

Onze mooie verhalen zijn een vervlogen droom:

Al wat ik doe is het tellen van de sterren.

Als ik denk aan onze oude grootse tijd,

Wentel ik van zij op zij terwijl de wereld slaapt.

    • Floris van Straaten