Met windkracht vier, waait het schuim uit je bier

Alledaagse wetenschap Wekelijks stuit Karel Knip in de alledaagse werkelijkheid op onverwachte raadsels en onbegrijpelijke verschijnselen. Deze week: storm.

Foto Robin van Lonkhuijsen/ANP

Het was een storm met zeldzaam zware windstoten in het binnenland, die storm van vorige week. Ze kreeg op de KNMI-site een korte nabeschouwing, een soort recensie. ’t Was een van de zwaarste stormen van de laatste vijftig jaar geweest, schrijft het KNMI. Ze trok, van west naar oost, vooral over het midden van het land en duurde opvallend kort. En ze heette Friederike.

Door de soesa die de media over stormen en stormschade maken zouden jonge Nederlanders kunnen gaan geloven dat we in een tijd van ongekend windgeweld leven. Dat is niet zo. In de jaren tachtig en negentig woei het veel meer, Nederland beleeft juist een periode met uitzonderlijk weinig stormschade, zoals er ook rond 1960 weinig schade was. Het gaat al honderd jaar op en neer zonder aanwijsbare trend.

Dat is vastgesteld door de Britse onderzoeker Stephen Cusack die er in 2012 over publiceerde in Climatic Change. Cusack gebruikte windsnelheidsmetingen die het KNMI verzamelde, schoonde ze op voor veranderingen in meetlocatie en meethoogte, voor veranderingen in terreinruwheid en nog zowat, en concludeerde: er zit al een eeuw geen trend in Nederlandse stormen en stormschade. Dat anderen in hun analyses soms anders uitkomen, zegt Cusack, komt vooral doordat zij uitgaan van windsnelheidsberekeningen (afgeleid uit luchtdrukmetingen). Daarin wordt de invloed van terreinruwheid meestal niet meegenomen.

Hier valt nog aan toe te voegen dat regionale klimaatmodellen, zoals die van het KNMI uit 2014, voor deze eeuw ook verder geen verandering van het windklimaat voorspellen. Wat dat betreft zou je de medemens graag oproepen vooral van stormen te genieten. Veel stormschade kan immers voorkomen worden. Het is een raadsel waarom vrachtwagens die leeg de weg op moeten niet worden voorzien van ballast, zoals dat in het vrachtvervoer over water al eeuwen geleden werd gedaan. Zand, grind, bakstenen? Desnoods Nutella.

Zoutaanslag op de ramen

Hoe fel de afgelopen westerstorm was heeft de oplettende Amsterdammer kunnen afleiden uit de zoutaanslag op zijn ramen. Na het passeren van de storm was het zicht door ruiten op het zuiden of westen opvallend afgenomen. Wie goed keek zag dat ze waren bedekt met duizenden minuscule druppels van een vocht dat niet opdroogde. Zoals je dat ziet op de ramen van zeeschepen en winterse strandpaviljoens. Nam je er een loep bij dan zag je zelfs hier en daar een zoutkristal liggen. Proeven was de proof of the pudding. Haalde je een natte vinger over de buitenkant van het glas dan merkte je: zout.

Het is geen nieuw inzicht dat het schuim van de ziedende zee op de wieken van de wind tot diep in het binnenland wordt gevoerd. De Nederlandse fijnstofmetingen worden tot aan Vredepeel door zeezoutaerosol beïnvloed, stelden onderzoekers van TNO, RIVM en andere instituten in 2009 vast en Vredepeel blijkt nagenoeg in Duitsland te liggen. Dat het aerosol je in Amsterdam het zicht beneemt is toch wel kras. Inmiddels heeft de zoete regen de meeste ramen weer schoongespoeld.

Minstens zo spectaculair is het filmpje van de voetganger die pardoes wegwoei toen hij het plein aan de westzijde van het Paleis van Justitie in Den Bosch wilde oversteken. Kwam dit door zo’n zeldzaam zware windstoot? Haal er Google Maps of Googe Earth bij en rijd wat rond met het street view-autootje. Dan zie je de hoge kantoren rond het plein met voorop het druppelvormige gebouw van de Rabobank. Daar moest de wind langs. Noodgedwongen versnelde hij. Dat is het venturi-effect.

Kijk hier hoe in Den Bosch een volwassen man wegwoei

Was dit voor het eerst dat er een volwassen man wegwoei? Nee, volgens het KNMI komt het vaker voor. „We kennen deze beelden ook uit januari 2007.” 18 januari 2007: storm Kyrill, toen het zo regende!

In een alternatieve Beaufort-schaal die de meteorologen Harry Geurts en Jacob Kuiper opnamen in hun boek Weergaloos Nederland (1997) wordt het omwaaien van volwassenen typerend voor windkracht 10 genoemd. Kinderen waaien al om bij windkracht 9. Vuilcontainers bij windkracht 5. En fietsen ook, zou je eraan toevoegen.

De schaal van Beaufort werd rond 1810 opgesteld door de Britse marine-officier Francis Beaufort. Hij leidde de heersende windkracht af uit het gedrag en de bestuurbaarheid van de toenmalige zeilschepen. Later kwam er een beschrijving van de zee bij. (Windkracht 7: veel brekende golven, begin van schuimstrepen.) Nog weer later werden er landcriteria aan toegevoegd. (Kracht 8: twijgen breken van bomen.)

Waslijnen met wasgoed breken

Van tijd tot tijd worden aanvullingen op de klassieke landcriteria gepubliceerd, maar eigenlijk is het teleurstellend weinig. Bovendien is de vraag of ze wel kloppen. Windkracht 2: onmogelijk om nog buiten een krant te lezen. (Maar gold dat niet voor de oude broadsheet-krant?) Windkracht 3: spinnen lopen niet meer. (Welke spinnen?) Windkracht 4: haar raakt verward. (Heur haar, waarschijnlijk.) Windkracht 6: waslijnen met wasgoed breken. Windkracht 9: alleen zwaluwen en eenden vliegen nog. (En meeuwen dan? De Amsterdamse halsbandparkieten vonden de storm dolletjes.)

De Engelse humorist Michael Green had in 1962 een aardige verzameling. Windkracht 4: het schuim waait uit je glas bier. Windkracht 5: cafégangers gaan naar binnen. Windkracht 6: cafégangers hebben moeite de pub te verlaten. Enzovoort. Uit dit alles blijft een intrigerende vraag over: zijn kinderen wel windgevoeliger dan volwassenen? Het is niet louter een oppervlakte-inhoud kwestie.

    • Karel Knip