‘Ik heb altijd fulltime gewerkt, dat was zeker niet normaal’

Spitsuur Moniek Vossenaar (56) promoveert en is directeur van een praktijk in bedrijfspyschologie. Met haar jongste zoon Wiet en Alastair, de zoon van haar vriend, woont ze in Den Haag. „In oktober verhuizen we naar Amsterdam.”

Foto David Galjaard

Alastair: „Ik doe vijf en zes vwo in één op het Luzac College. Ik was twee keer blijven zitten in de vijfde dus mijn vader dacht dat een verandering van omgeving goed zou zijn. Mijn moeder is vier jaar geleden overleden, dat heeft veel gevolgen gehad. Sinds september woon ik in Den Haag. Ik heb nog drie broertjes, twee wonen er nog thuis. Hier is het wat rustiger.”

Moniek: „Het is ook wel makkelijk dat school lekker dichtbij zit.”

Wiet: „Ik zit op het Winford.”

Moniek: „Ook een soort Luzac. Het was voor jou ook beter om je school in een kleinere klas af te maken.”

Den Haag, Tilburg, Utrecht

Wiet: „Om acht uur gaat de wekker.”

Alastair: „Voor mij ook.”

Moniek: Voor mij wisselt dat.”

Wiet: „Jij staat nooit echt heel vroeg op.”

Moniek: „Dat is niet waar.”

Wiet: „Nou mam, niet liegen.”

Moniek: „Kijk het ligt eraan. We zitten met Ascender op zeventien plekken in Nederland. Ik ga zo’n twee dagen per week naar Utrecht, een dag per week naar Tilburg en twee keer per week werk ik in Den Haag. Als ik in Den Haag werk, dan hoef ik er niet zo vroeg uit. Maar ga ik naar Tilburg of naar Utrecht…”

Wiet: „Ok, ok, af en toe ben je er vroeg uit.”

Moniek: „Sinds een maand ben ik begonnen met een onderzoek in Tilburg. Ik vond het belangrijk om ook nog wat inhoudelijks te doen naast mijn baan.”

Wiet: „Dat ze full time werkt vind ik knap.”

Moniek: „Dat heb ik altijd gedaan, ook toen ze klein waren. Dat was zeker niet normaal. Het liep zo. Ik heb ook nog twee jaar voor een Engels bedrijf gewerkt, maar dat ging me eigenlijk te ver. Toen waren mijn kinderen vijf en zeven en zat ik soms drie nachten per week in een hotel.”

Pannenkoeken

Alastair: „Ik ontbijt eigenlijk niet. Meestal ga ik in de pauze even naar huis. Dan lunch ik wel goed, met een gebakken ei.”

Wiet: „Af en toe maak jij nog wel een ontbijtje voor me. Pannenkoeken.”

Moniek: „Of wentelteefjes. In het weekend ontbijten we samen, doordeweeks lukt dat niet.”

Wiet: „Ik fiets naar school om tien voor negen.”

Alastair: „Ik vertrek om vijf voor negen. Om drie over negen begint mijn les.”

Moniek: „Drie over negen?”

Alastair: „Om negen uur zeggen ze dat het begint, maar de bel gaat om drie over. Om tien voor half twee kom ik thuis en dan lunch ik tot kwart voor twee. Daarna ga ik terug naar school tot vijf of zes uur.”

Wiet: „Ik ben meestal rond vier uur thuis.”

Elke zaterdag naar school

Moniek: „Als ik uit Tilburg kom, probeer ik wel voor de files uit te rijden, zodat ik om zes uur thuis ben. Op woensdag kook ik altijd in Blaricum voor Alastair zijn broers, dan is Alastair hier alleen thuis als Wiet bij zijn vader zit.”

Wiet: „Om de anderhalve week zit ik bij mijn vader, van woensdag tot zondag.”

Moniek: „Dan ben ik meestal in Blaricum. Alastair komt dan ook, als hij niet in Den Haag blijft.”

Alastair: „Ik heb nu afgesproken met mijn lerarenbegeleider dat ik elke zaterdag naar school ga om de volgende toetsweek zo goed mogelijk te maken.”

Moniek: „Voor Alastair is het soms ook een beetje alsof hij op kamers zit.”

Wiet: „Als ik thuiskom, ga ik voetbal kijken of veel Netflixen.”

Alastair: „Ik boks nog, ik heb zo’n kaart. Je betaalt vijf euro per week en ik kan zo vaak als ik wil.”

Wiet: „Ik voetbal, op dinsdag en donderdag heb ik training. Zaterdag heb ik nog een wedstrijd, maar het is nu winterstop.”

Moniek: „Soms eten we met zijn drieën, soms heb ik zelf nog een afspraak. Maar ik zorg altijd wel dat er voor de jongens is gekookt. Ik ben er natuurlijk niet zoveel en ik vind het ook wel fijn om dat zelf te doen. Wat zijn we anders met elkaar?”

Alastair: „Jij zei dat je een schema zou maken voor de afwasmachine, maar dat heb je nog steeds niet gedaan. Ik zet wel altijd mijn bord in de afwasmachine.”

Moniek: „Alastair is daar wat beter in dan Wiet.”

Alastair: „Ik zou het leuk vinden als Wiet ook wat vaker zijn troep zou opruimen.”

Moniek: „Ik kan precies volgen waar Wiet heeft gesnackt, dan loopt er een kruimelspoor door het hele huis. Toevallig is de schoonmaakster net geweest. Dat is ook wel nodig, zonder word ik helemaal gek. Ik vind het wel fijn als het er hier een beetje gezellig uitziet.”

Naar Amsterdam

Moniek: „Mijn vriend en ik gaan in oktober in Amsterdam wonen, met alle jongens die nog thuis wonen. Het is voor ons allebei een vertrouwde omgeving. Een nieuwe start.”

Alastair: „Mijn broertjes zijn dertien en zeventien.”

Moniek: „Wiet gaat ook nog een jaar mee. Hij wil hbo gaan doen en we hebben bedacht dat het wel slim is als hij dat nog een jaartje vanuit huis doet.”

Wiet: „Het eerste jaar wil ik wel mijn p halen. Dan wil ik ook niet bij een vereniging. Dat komt het tweede jaar wel.”

Moniek: „Het zou ook kunnen dat Alastair meegaat, die wil rechten gaan studeren.”

Alastair: „Ik ga nog even kijken.”

Moniek: „Ik wilde wachten tot mijn kinderen eindexamen hadden gedaan voordat we samen gingen wonen. Voor de kinderen van mijn vriend was het ook beter om zo lang mogelijk in hun eigen omgeving te blijven. We zijn elkaar een paar jaar geleden weer tegen gekomen, we kenden elkaar al van voor die tijd. Een scheiding is niet leuk, maar mijn vriendinnen hebben me er door heen geholpen.”

    • Rolinde Hoorntje