Opinie

    • Gijsbert van Es

Hulde aan het raadslid. Hij zet zich in voor ons

Gemeenteraadsverkiezingen De gemeenteraadsverkiezingen komen eraan. wil meer respect voor hen die uw buurt, dorp en stad beter maken.

Illustratie Hajo

Gemeenteraadslid – het moet een zwaar bestaan zijn. Zeeën van tijd kost het. Het betaalt slecht. Status geeft het amper. Althans, dit beeld doemt op uit een enquête onder 1.287 raadsleden, onlangs gehouden in opdracht van een tiental regionale kranten in Noord- en Zuid-Holland. Vraag: Waarom bent u raadslid? Het meest gegeven antwoord: Omdat ik mij wil inzetten voor de samenleving.

En hoe beloont de samenleving hen? Vier van de tien raadsleden beklagen zich over gebrek aan waardering van stads- of dorpsgenoten. Het staat bovenaan het lijstje van nare bijwerkingen, gevolgd door karige betaling, afgezet tegen de vele uren die het vergt om stapels beleidsstukken te lezen, te vergaderen en contact te houden met ‘de burgerij’.

In een gemeente van gemiddelde omvang (circa 50.000 inwoners) ontvangt een raadslid 1.248,42 euro per maand. Bruto. Een krantenwijk zou meer opleveren, naar uurtarief omgerekend.

De schrale wind die raadsleden treft, waait sinds enige tijd ook wel eens mijn kant op. Ik heb mijn werk als NRC-journalist (tijdelijk) ingeruild voor een baan als gemeente-ambtenaar. Op feestjes mag ik nu reageren op vooroordelen over stroperige bureaucratie en clichés over lokaal bestuur.

Woensdag 21 maart mogen tien miljoen stemmers in 335 gemeenten zo’n achtduizend raadsleden aanwijzen. Een nationale feestdag voor de democratie? Niet echt.

Twee trends werken tegen elkaar in. Enerzijds verflauwt de kiezersgunst. De opkomst daalt al decennia. Bij de vorige verkiezingen, in 2014, lag die nog maar net boven de helft (54 procent). In tientallen gemeenten hebben partijen grote moeite om voldoende kandidaten voor hun kieslijsten te vinden. Daar waar de lat bij selectie noodgedwongen lager en lager komt te liggen, zien criminele infiltranten hun kans schoon om hun tentakels naar de bestuurlijke bovenwereld uit te slaan.

Anderzijds groeit het aantal gemeentelijke taken en besognes in omvang en gewicht. In het Gemeentefonds, de lokale kas, zit 30 miljard euro. Dat is bijna dubbel zoveel als vier jaar geleden. Hebben de gemeenten zóveel extra geld gekregen? Nee, integendeel. Het rijk heeft de jeugdhulp, maatschappelijk werk en andere sociale taken in 2015 naar de gemeenten doorgeschoven, inclusief een forse bezuiniging op deze sector.

Zie dat maar eens voor elkaar te krijgen: een complete sector verbouwen en tegelijk zo’n vijf miljard euro wegsnijden uit het budget. En dan te bedenken dat dit rechtstreeks het leven en welzijn raakt van zo’n anderhalf miljoen Nederlanders in zwakkere posities. Bij de jeugdhulp kloppen jaarlijks 370.000 kinderen en jongeren aan (ruim 10 procent van alle 0- tot 17-jarigen). De thuishulp-nieuwe-stijl zet zich in voor ruim één miljoen gehandicapte en/of oudere Nederlanders (6 procent van de bevolking).

Binnenkort krijgen gemeenten nóg een grote kluif te verwerken, door invoering van een nieuwe Omgevingswet. In een dichtbebouwd land als Nederland blijven kwesties als planologie en bouwbestemmingen een taai strijdpunt.

Intussen verandert het land ook zelf, zonder de overheid die reorganisatie op reorganisatie stapelt. De bevolking vergrijst, het landelijk gebied loopt leeg. Het stedelijk gebied schreeuwt om meer huurwoningen en de koopsector is er flink overspannen. Boze burgers, vaak in ‘oude wijken’, morren over de komst van hun nieuwe buren, die in bestuurlijk jargon steriel worden verpakt als ‘statushouders’ en ‘arbeidsmigranten’. Klimaatverandering brengt steeds vaker stormschade en overvloedige regenval die tot achter de voordeur komt – waar ‘de gemeente’ dan de schuld van krijgt.

Genoeg problemen opgesomd, streep eronder, per saldo: er is steeds minder democratische legitimering, oftewel draagvlak, voor steeds zwaardere taken die drukken op de steeds smallere schouders van raadsleden, wethouders en burgemeesters.

Ik geloof in de kracht van actief burgerschap – zeker dicht bij huis

Zeker, dit somber getinte beeld valt anders, kleuriger te belichten. Zo is het ministerie van Binnenlandse Zaken in 2015 tot bemoediging overgegaan door een drie jaar durende ‘Democratic challenge’ uit te schrijven.

Hoe? Met een „experimenteer- en leerprogramma, gericht op vernieuwing van de lokale democratie”. Waarom? „Omdat onze structuren, [colleges van B en W, gemeenteraden en ambtelijke organisaties], de noodzakelijke vernieuwing soms in de weg staan.” Wat? Bijna te veel om op te noemen. Website, social media, congressen, festivals, netwerkbijeenkomsten – alle kracht van de moderne communicatie heeft het ministerie de afgelopen jaren ingezet om lokale vernieuwers de wind in de zeilen te geven.

Een voorbeeld. Oldebroek, Breda, Cuyk, Emmen, Oss, plus een handvol andere gemeenten experimenteren met burgerbegrotingen. Een wijk krijgt hierbij een flinke som geld toegewezen, de bewoners verdelen het geld. In wijkvergaderingen kiezen ze voor bijvoorbeeld betere kinderspeelplaatsen, extra buurtactiviteiten voor ouderen, gemeenschappelijke moestuinen, of ruimere openingstijden voor het zwembad.

Tientallen vergelijkbare noviteiten zijn getest in alle gewesten van het land. Ze dragen speelse namen als ‘Eigenwijks Nieuwegein’, ‘Mooi, mooier, Middelland’ (een buurt in Rotterdam) en ‘Nieuwe Ronde, Nieuwe Kansen’ (in Coevorden). Doel? Het bestuur dichter bij de burgers brengen. En omgekeerd: inwoners uitdagen hun rol van mopperende Muppets af te leggen en zélf in actie te komen.

Het meest ambitieuze experiment op dit gebied is afkomstig uit België, bedacht door schrijver David van Reybrouck en toegelicht in zijn boekje Tegen verkiezingen (2013). Het draagt de naam G1000. In de afgelopen jaren is onder meer in Amersfoort, Enschede, Groningen, Amsterdam en Uden geoefend met G1000-bijeenkomsten. Believers betogen dat zo’n G1000 een betere lokale agenda en slimmere, breder gedragen oplossingen voortbrengt dan de meeste acties die opborrelen uit de bestaande bestuurlijke bubbel.

Maar kritiek is er even zo goed – op zowel het fenomeen G1000 als op andere democratische proeven en proefjes. Het past in het koor van opinieschrijvers dat de koning weghoonde toen hij in de Troonrede van 2013 moest voorlezen: „De klassieke verzorgingsstaat verandert langzaam maar zeker in een participatiesamenleving.”

Kern van de kritiek: het propageren van participatie is een schaamlap van de overheid die bot bezuinigend terugtreedt, om de zwakkeren in de samenleving aan hun lot over te laten. Bestuurlijk zou die participatie evenmin iets betekenen. Oude wijn in nieuwe zakken, dat is het. De autochtone, hoger opgeleide elite, die het personeel levert voor álle besturen (niet alleen van partijen en fracties, ook van stichtingen, verenigingen, instellingen, enz.), speelt het spel weliswaar op andere manieren, maar het blijft één en hetzelfde netwerk van usual suspects. Noem het: de grotebekkendemocratie.

Die kritiek snijdt hout, ten dele. Maar ik ben een optimist, misschien zelfs wel een idealist. Ik geloof in de kracht en noodzaak van actief burgerschap – overal en zéker dicht bij huis, in gemeenten. Naar een woord van Voltaire: ‘Il faut cultiver notre jardin.’ Hollands vertaald: „Als je de wereld wilt verbeteren, kun je maar het beste beginnen met schoffelen en zaaien in je eigen tuin.” Wanneer iedere wereldburger dit naar vermogen in z’n eigen woonplaats doet, kunnen we met z’n allen een heel eind komen.

Alleen al daarom vind ik dat gemeenteraadsleden respect verdienen, omdat ik oprecht geloof in de goede intenties van de overgrote meerderheid van hen – los van hun politieke standpunten en keuzes.

In mijn woonplaats ben ik sinds een jaar of tien als vrijwilliger actief. Met een groep gelijkgestemden richtte ik een ‘Stadslab’ op, dat inmiddels tientallen klussen op zich heeft genomen om onze stad ‘mooier, creatiever, ondernemender, groener, socialer te maken’. In 2011 wonnen we een prijs als de ‘meest vernieuwende vrijwilligersorganisatie van Nederland’.

Nu ben ik, tijdelijk, gemeenteambtenaar. Ik beschouw dit als een maatschappelijke stage. Bij terugkeer in de journalistiek heb ik van binnenuit meegemaakt hoe ingewikkeld ‘good governance’ kan zijn. Botsende belangen. Schaarse middelen. Politieke keuzes, noodzakelijke compromissen. Publieke opinie, platte beeldvorming. Overmacht, toeval. En het eeuwige menselijk tekort – dat af en toe ook, zoals overal elders.

Haalt gemeentepolitiek de landelijke media, dan gaat het opvallend vaak over duistere praktijken van ambtsdragers, achterhoedegevech ten tegen wiettelers, of bouwwerken die miljoenen duurder uitvallen dan vooraf was becijferd. Terecht, dat is nieuws.

Maar nieuws mag ook zijn dat tienduizenden hulpverleners zich ook de afgelopen vier jaar dagelijks met hart en ziel hebben ingezet voor honderdduizenden kinderen en ouderen in moeilijke situaties. Dat gemeenten miljarden hebben geïnvesteerd in wijken, in de publieke ruimte, in vergroening van versteend gebied. Dat verkeersopstoppingen zijn verholpen. Dat miljoenen subsidiegeld goed is besteed aan woningisolatie. Dat er geld is gestoken in betere schoolgebouwen, theaters, sportvelden. Dat bestuurders en ambtenaren dat niet alleen maar regelen van achter hun bureaus en vergadertafels, maar – integendeel – voortdurend in de wijken te vinden zijn.

Meningen zijn gratis en inwisselbaar. Clichés zijn borrelpraat. Gemeenteraadsleden praten ook veel, sommigen ongetwijfeld te veel. Maar zij dóen ook wat – zij hebben ideeën, wensen, plannen die ze willen realiseren.

Niemand hoeft hosanna voor raadsleden te roepen, integendeel: democratie gedijt bij kritisch debat. Maar kiezers kunnen intussen wel respect voor hen tonen: door te gaan stemmen op 21 maart.

    • Gijsbert van Es