Opinie

Een literaire schat is opgedolven

Michel Krielaars

‘Zwijg over dit boek’, raden C.J. Aarts en M.C. van Etten je aan in (Van onzen correspondent.), een bundeling krantenartikelen van een groot schrijver, wiens naam ik nog even niet noem. Door te zwijgen zou het lezen van hun boek namelijk een geheim genoegen zijn.

Nu gun ik u dat geheim genoegen als geen ander, maar toch moet ik het zwijgen verbreken. Want ik kan u niet in het ongewisse laten over de literaire schat die Aarts en Van Etten hebben opgedolven. Neem nu een zin als: ‘Vóór de oorlog was een Vlaming slechts een sukkelaar, zonder meer, omdat hij geen Fransch kende, of een gek omdat hij het wél kende en tóch van die kennis in ’t publiek geen gebruik maakte.’

Die zin, waarin de wortels van de Vlaamse kwestie worden blootgelegd, komt uit het nooit gepubliceerde artikel ‘De toestand der Vlamingen’. Het werd in 1919 geschreven voor de Nieuwe Rotterdamsche Courant door een overbodig geworden ambtenaar, die uit financiële noodzaak in de journalistiek was beland. Als beginnend verslaggever viel hij meteen op door zijn literaire touch of genius. Dat blijkt uit de volgende, persoonlijke beschrijving uit hetzelfde artikel over het Vlaamse minderwaardigheidsgevoel: ‘En terwijl ik in de eene kamer zoo parijsachtig mogelijk fransch zit te praten, dringt me uit een aangrenzend vertrek dat vervloekte antwerpsch van mijn vlaamsche kinderen door.’

Die losse verteltrant lees je ook in latere artikelen van onze held. Zo schrijft hij onder de kop ‘De toestand in Antwerpen’ over de situatie aldaar kort na het aftreden van de Duitse keizer op 28 november 1918. De nog aanwezige Duitse bezettingstroepen hebben een soldatenraad gevormd en zich met de lokale bevolking verbroederd. Het is alsof de oorlog nooit heeft gewoed, zo vriendschappelijk gedragen de Duitsers zich tegen de Belgen. De verslaggever neemt het vol verbazing waar en schrijft het op, zwervend door de Antwerpse straten.

Een andere reportage gaat over de Antwerpse diamant-industrie kort na de oorlog van 1914-’18. Onze verslaggever beschrijft hoe de diamanthandel vooral uit Poolse en Turkse Joden bestond, die in 1914 ineens vijand of bondgenoot van de Duitsers werden. En dan noteert hij: ‘Wat moest zo’n Poolsche jood in Godsnaam beginnen toen de Duitschers ons in 1914 zoo onverwachts op het lijf vielen? Blijven? Vluchten? Die mensen zijn niet vechtlustig, en daar hebben zij gelijk aan. Trouwens, voor wie zouden die stakkers uit Krakau, Lemberg, Warschau, Lodz of Grodno wel gevochten hebben?’ En dan stipt hij aan dat die Joden uit Warschau Russen zijn en tot het geallieerde kamp behoren, terwijl die uit Krakau Oostenrijkers en dus de vijand zijn. Om de krankzinnigheid van een oorlog nog meer te benadrukken, komt hij dan met een zinnetje als: ‘En toch waren die van Warschau en Krakau precies dezelfden…’

Ergens doet de kersverse NRC-verslaggever van weleer me denken aan William Boot, de reporter tegen wil en dank uit Evelyn Waughs Scoop, een roman uit 1938 die voor iedere journalist verplichte kost zou moeten zijn. Anders dan zijn primeurjagende collega’s haalt hij, een amateur, de scoop waar iedereen naar op zoek is. Gewoon door niet achter de meute aan te rennen en wat na te denken over wat hij ziet.

En voordat ik het vergeet, onze held heet Alfons de Ridder, beter bekend als de schrijver Willem Elsschot. Zegt het voort.