De schrik, kramp en shock van de gepulste vis

Pulsvisserij

Deze maand kondigde het Europese parlement een totaalverbod af op elektrisch geladen vistuig. Maar wat zegt de wetenschap eigenlijk over pulsvissen?

Vistuig met elektroden WMR, NIOZ, Benthis

Mag je vissen vangen met stroomstoten? Het Europese parlement besloot anderhalve week geleden van niet. Het kondigde een totaalverbod af op pulsvisserij, waarbij met een elektrisch geladen vistuig garnalen of platvissen worden opgeschrikt en in een net belanden. Met name de Nederlandse vissersvloot heeft de afgelopen jaren fors geïnvesteerd in pulsvisserij op tong.

In de debatten die voorafgingen aan het verbod werd veel lippendienst bewezen aan de wetenschap. Voorstanders klagen dat lang en breed bewezen is dat pulsvisserij duurzamer is dan de traditionele boomkorvisserij, waarbij platvissen en bodemdieren met zware kettingen worden losgewoeld uit de zeebodem.

Ook de anti-pulslobby schermt met wetenschappelijke publicaties. Milieu-activisten van Franse organisatie BLOOM schrijven op hun website: ‘Elektrische stromen kennen geen genade: al het zeeleven wordt geëlektrocuteerd. Een Nederlandse studie wijst uit dat 50 tot 70 procent van de grote kabeljauwen gevangen door pulskotters hun ruggengraat brak door een elektrische schok.’

Dit artikel gaat niet over politiek, onderzoeksvergunningen of vissersbelangen. Dit artikel gaat over de wetenschappelijke kennis die tot nu toe verzameld is. En over gaten in die kennis, en hoe die nooit allemaal gedicht kunnen worden.

Pulsvissers slepen een vistuig met elektroden over de zeebodem. De elektroden zijn bijna vijf meter lang en liggen ongeveer veertig centimeter uit elkaar. Die elektroden staan niet voortdurend onder stroom, maar vuren 40 tot 80 pulsen per seconde af. De systemen van pulskotters die op tong vissen hebben een potentiaalverschil van 50 volt tussen twee elektroden. Pulsvissers die op garnalen vissen gebruiken andere systemen.

Wat gebeurt er met vissen die tussen deze elektroden terecht komen? Kort gezegd zijn er drie mogelijke uitkomsten: schrik, kramp of shock.

De reactie van de vissen hangt af van twee factoren: het potentiaalverschil dat de vis ervaart en de frequentie van de puls. Óf de vis reageert hangt af van het potentiaalverschil. Grotere vissen ervaren door hun lengte grotere potentiaalverschillen en zullen dus sterker reageren. Dat is mooi meegenomen: voor vissers zijn jonge of kleine vissen niet interessant.

De frequentie van de puls bepaalt de aard van de reactie. Bij een frequentie tot ongeveer 20 Hertz trekken de spieren wel samen, maar de vis behoudt genoeg controle om geschrokken weg te zwemmen. Bij frequenties tot 40 Hertz volgen de samentrekkingen van spieren elkaar steeds sneller op, tot het punt is bereikt dat de vis in een kramp schiet.

Voer de frequentie verder op, en sommige vissen raken in epileptische shock. „Dat is te vergelijken met het verdoven van varkens en vissen in aquacultuur voor de slacht”, zegt visbioloog Maarten Soetaert van het Vlaamse wetenschappelijk instituut ILVO. „Het centrale zenuwstelsel wordt dan zo overprikkeld dat de vis tijdelijk het bewustzijn verliest en verlamd raakt.” In de commerciële visserij worden zulke sterke pulsen niet gebruikt.

Kleine ruggenwervels

Pulsvissers op tong maken gebruik van een kramppuls. Een tong in een kramp buigt zijn lijf in een U-vorm, waarbij neus en staart elkaar bijna raken. Tongen zijn daardoor makkelijk te vangen in een net, maar sterven niet aan kramp, heeft Soetaert onderzocht. Maar voor gespierde rondvissen zoals kabeljauw kan kramp of shock tot rugbreuken leiden. Bij normale zwembewegingen trekt een kabeljauw afwisselend de spieren aan één kant van het lichaam samen. Een kabeljauw in kramp trekt de spieren aan beide kanten samen. De belasting van de ruggengraat kan daardoor zo groot worden dat de rug breekt. Voor vissen met veel kleine ruggenwervels (zoals kabeljauwachtigen) is dat risico groter dan voor vissen met minder en robuustere ruggenwervels (zoals zeebaarzen).

Bij veldproeven met pulsvissen zijn kabeljauwen met gebroken ruggen opgevist. In een proef uit 2011, waarbij een boomkorkotter en twee pulskotters een week lang ‘giek-aan-giek’ voeren, hadden 4 van de 45 opgeviste kabeljauwen een gebroken rug (9 procent). Bij wijting ging het om één vis uit 57 (2 procent).

De kwetsbaarheid van de kabeljauw is ook in het lab aangetoond. Bij experimenten van onderzoeker Dick de Haan van Wageningen Marine Research in 2011 brak tot 70 procent van de kabeljauwen hun rug als ze vlak bij de elektrode werden blootgesteld, waar de veldsterkte het sterkst is. Dit cijfer en deze studie worden door BLOOM aangehaald, maar incorrect: het ging niet om gevangen kabeljauwen, maar om proefdieren in het lab.

Tong schiet in een kramp, kabeljauw breekt soms zijn rug

Soetaert heeft vergelijkbare proeven gedaan, maar bij zijn verkrampte kabeljauwen brak maar een van de 39 zijn rug. En ook bij een directe replicatie van De Haans onderzoek, uitgevoerd met hem samen, zag Soetaert dat maximaal 5 procent van de kabeljauwen rugletsel had. Hoe kan dat? „Dat is compleet onduidelijk”, zegt Soetaert. „Misschien waren de vissen in de eerste proef gespannen. In het oorspronkelijke experiment werden de kabeljauwen een dag van tevoren uit hun zeekooien gehaald, terwijl ze bij onze replicatie enkele dagen in het bassin konden wennen. Maar dat is superspeculatief.”

Op de 70 procent die BLOOM noemt valt dus veel af te dingen. Voor Soetaert is de kabeljauwkwestie eigenlijk een ‘non-probleem’. „Ethisch is het ongewenst, maar het levert geen extra sterfte op. Van de kabeljauw die je opvist, is het merendeel ten dode opgeschreven. Door het drukverschil scheurt de zwemblaas en kunnen de ogen poppen. En we weten dat je minder kabeljauw vangt met pulsvissen dan met boomkorvisserij.”

Wijting is qua bouw en in omvang vergelijkbaar met kabeljauw. Het is niet duidelijk waarom ze minder kwetsbaar zijn. „Mijn vermoeden is dat het te maken heeft met gedrag”, zegt Soetaert. „Bij dreigend gevaar zwemt een wijting naar boven, maar een kabeljauw duikt de bodem in, richting de elektrode waar het veld het sterkst is.”

Je zou kunnen zeggen: onderzoek dan ook de wijting. En pak meteen poon, schelvis en koolvis mee. Maar proeven kosten tijd en geld. En sommige vissen zijn bijna niet te houden in het lab.

„We beseffen dat tegenstanders steeds nieuwe vragen kunnen opwerpen”, zegt Adriaan Rijnsdorp, projectleider bij Wageningen Marine Research (WMR). „Daarom kiezen we nu een mechanistische benadering. Promovendus Pim Boute werkt aan een elektrofysiologisch model. Zodat we straks kunnen zeggen: we hebben vis X niet onderzocht, maar op grond van zijn spierverdeling en letselfrequentie denken we dat dit dier zus of zo gevoelig is.”

Tot zover de vissen zelf – maar wat doet pulsvissen met het overige bodemleven? Met de heremietkreeften, de schelpen, de garnalen, de borstelwormen, de zeesterren onder het elektrische sleepnet?

Vangst van een pulskotter

WMR, NIOZ, Benthis
Studenten nemen bodemmonsters

WMR, NIOZ, Benthis
Tongen onder een röntgenapparaat.

WMR, NIOZ, Benthis

De bijvangstcijfers zijn bemoedigend. In de veldproef uit 2011 werd tot 67 procent minder ongewenste bijvangst gevangen. Het ging vooral om ongewervelden.

De impact van boomkorren en pulskotters wordt nu ook op directe wijze onderzocht. Onderzoekers van WMR nemen bijvoorbeeld zeebodemmonsters direct vóór en na de vissers zijn langsgevaren.

Zulk onderzoek op zee is bewerkelijk. „Als je direct gaat meten vind je alleen dode dieren”, zegt Rijnsdorp. „Dus meten we twee dagen later, als alle aaseters zijn vertrokken. Dan nog moet je veel plekken bemonsteren voor een goed beeld, omdat bodemleven geneigd is samen te klitten.” De resultaten zijn nog niet gepubliceerd, maar wekkerkettingen van boomkorren lijken meer directe sterfte te veroorzaken dan sleepnetten van pulsvissers. Dat is ook te verklaren met modellen van de bodembelasting. De wekkerkettingen dringen centimeters dieper de zeebodem in dan de elektroden van pulskotters. „De gemeten sterfte is evenredig aan de penetratiediepte van het vistuig”, zegt Rijnsdorp.

Garnalenkwestie

Het probleem voor wetenschappers als Rijnsdorp en Soetaert is dat tegenstanders of belanghebbenden sneller nieuwe vraagstukken kunnen opwerpen dan zij kunnen beantwoorden. Als garnalenvissers minder garnalen vangen, ligt het aan de puls. Als er scharren met zweren worden opgevist, dan was het de puls.

Of scharren inderdaad zweren krijgen van elektrische pulsen is onderzocht (dat bleek niet zo), maar de garnalenkwestie staat nog open. „Er is een waslijst aan punten”, zegt Rijnsdorp. „Uiteindelijk moeten we een keuze maken: wat is onderzoekbaar? We kunnen niet elke anekdote uitpluizen. We hebben nu al vele malen meer kennis over pulsvisserij dan we over boomkorvisserij hadden toen we daarmee zijn begonnen.” Soetaert: „We zouden nog tien onderzoekers nog tien jaar onderzoek kunnen laten doen. En dan nog zullen er vragen open blijven. Het probleem is dat niet op voorhand is gedefinieerd hoeveel kennis of bewijs genoeg zal zijn.”

De ecologische voordelen van pulsvisserij zijn mogelijk groot, concluderen onderzoekers, de schade aan zeeleven lijkt te overzien. „Maar ja, hoe weeg je de dood van driehonderd zeesterren door boomkorren af tegen één kabeljauw met een gebroken rug door pulsvissers?” vraagt Soetaert. „Daar zijn gewoon geen maatstaven voor.”