Wie beslist over slavernijmuseum?

Koloniaal verleden Twee debatten waren er deze week in Amsterdam over het koloniale verleden. Deelnemers stelden ‘witte’ instituten ter discussie.

De diamant van Banjarmasin, Nederlands staatsbezit sinds de 19de eeuw. Foto Rijksmuseum

De gemeente Amsterdam en het Rijksmuseum zijn bij volle bewustzijn het mijnenveld in gestapt waar een instelling als het Mauritshuis deze week juist schielijk uit probeerde te komen. Het koloniale verleden stond ter discussie in twee debatten.

Het eerste, maandag in pakhuis De Zwijger, ging over een „museale voorziening” in Amsterdam voor het slavernijverleden. De gemeenteraad nam in de zomer unaniem een motie aan om onderzoek te doen naar de oprichting van zo’n ‘slavernijmuseum’.

Het tweede debat, dinsdag, was een ‘hoorzitting’ over de vraag of stukken uit de koloniale collectie van het Rijksmuseum terug moeten naar de erfgenamen, dan wel de landen van herkomst. Martine Gosselink, hoofd geschiedenis van het museum, maakte in september in NRC bekend dat haar afdeling onderzoek doet naar tien van zulke objecten. In de hoorzitting in debatcentrum De Balie stond een van die objecten centraal, de diamant van Banjarmasin.

In De Zwijger sprak wethouder Simone Kukenheim (diversiteit en cultuur, D66) in een zaal vol mensen uit de Caribische en Afrikaanse gemeenschappen. Naar De Balie kwamen vooral mensen uit de museumwereld. Op beide avonden vielen dezelfde woorden: flow, bewustzijn, momentum. De levendige maatschappelijke discussie over identiteit betekent dat er meer aandacht is voor het koloniale verleden – zelfs van mensen die vinden dat deze aandacht overtrokken is.

Erfgenamen

Zulke mensen waren niet naar de ‘consultatieavond’ over een slavernijmuseum in Amsterdam gekomen. Daar spraken de aanwezigen niet over hoe zo’n instituut eruit zou moeten zien, maar des te meer over wie dat gaat beslissen, wie daarvoor worden geraadpleegd en wie er dan in gaan werken. In en na de wellevende discussie bleken dit gevoelige vragen.

Kukenheim zei dat de gemeente een oproep voor ideeën laat uitgaan en dat ze een beoordelingscommissie van vijf mensen zal aanstellen. „Is kleur een criterium voor die commissie?”, vroeg iemand. „Is de gemeente bereid vast te leggen dat ten minste de helft van het personeel in het museum zal bestaan uit erfgenamen van het slavernijverleden?”, vroeg een ander. „Het proces kan niet succesvol verlopen zonder de inzet van onze deskundigen”, zei een derde. Mensen wezen daarbij op historicus Frank Dragtenstein en tentoonstellingsmakers Felix de Rooy en Imara Limon.

De positie van witte Nederlanders en ‘witte’ instituten wordt bij deze kwesties steevast ter discussie gesteld. Na de hoorzitting over de diamant van Banjarmasin was de eerste vraag uit de zaal: „Waarom zijn hier geen Indonesiërs aanwezig?” De diamant werd in de 19de eeuw buitgemaakt door het Nederlandse leger bij een aanval op het sultanaat van Banjarmasin, sindsdien is hij staatsbezit.

Martine Gosselink zei dat het Rijksmuseum „neutraal” staat tegenover de kwestie van teruggave. „Wij willen vooral weten wat we nu precies in ons bezit hebben en hoe we eraan komen.” Claims komen er sowieso, zegt zij, het museum en de staat kunnen daar maar beter op voorbereid zijn.

Tijdens de zitting gaven deskundigen toelichtingen. Antropoloog Pieter ter Keurs vond dat de diamant „nog niet” moet worden teruggegeven, totdat helemaal duidelijk is aan wie en hoe daar van Indonesische zijde op wordt gereageerd. „Dat is juist níét koloniaal”, zei hij. Ook Gosselink wees op het belang van overleg met Indonesië. „Misschien passen sommige objecten wel beter in Nederlandse collecties en kunnen we spreken over ruilen.” De zaal kreeg als jury het laatste woord en oordeelde: de diamant van Banjarmasin moet „terug”.

    • Bas Blokker