Foto Roger Cremers

‘We zijn bang om vrij te zijn’

Keith Lowe Deze Britse historicus schreef een boek over de gevolgen van de Tweede Wereldoorlog, waarin hij ook psychologische en filosofische aspecten aanroert. ‘De mythe van het slachtoffer is de gevaarlijkste van de mythes die de oorlog ons heeft nagelaten.’

Vijf jaar heeft hij gewerkt aan Angst en Vrijheid, vertelt de Britse historicus Keith Lowe (1970) in wat hij de interrogation room noemt van het Ambassade Hotel in Amsterdam. „Ik wilde een boek schrijven over de gevolgen van de Tweede Wereldoorlog dat verder ging dan gebruikelijk. Natuurlijk hebben de Verenigde Naties en de Koude Oorlog er een plaats in gekregen, maar ik wilde ook de psychologische en filosofische impact van de Tweede Wereldoorlog in kaart brengen. Zo heb ik niet alleen de gebeurtenissen beschreven, maar ook de wijze waarop die de levens van mensen hebben beïnvloed. Ik wilde laten zien hoe ze dachten en voelden. Daarom heb ik de levensverhalen van bekende en onbekende individuen, onder wie Andrej Sacharov, de vader van de Russische atoombom, en de Italiaanse architect Giancarlo di Carlo, tot de kern van de hoofdstukken gemaakt. Tijdens het schrijven merkte ik ook dat ik me niet kon beperken tot Europa en de Verenigde Staten, maar ook zoiets als de dekolonisatie moest behandelen. Zo groeide Angst en Vrijheid uit tot een boek over de hele wereld. Soms kreeg ik het gevoel dat ik aan een krankzinnige onderneming was begonnen.”

Angst en Vrijheid is een vervolg op Het woeste continent (2012), een verbijsterende beschrijving van de etnische zuiveringen en burgeroorlogen die in Europa plaatsvonden na afloop van de Tweede Wereldoorlog. Daarom ontbreekt in Lowe’s nieuwe boek een hoofdstuk over het naoorlogse Duitsland. „Dat had ik al uitvoerig behandeld in Het woeste continent”, legt Lowe uit. „En zonder Duitsland is Angst en Vrijheid, met zijn 560 bladzijden, al dik genoeg.”

Wat was de verrassendste ontdekking die u deed tijdens uw krankzinnige onderneming?

„Een van de verrassingen was natuurlijk dat de Tweede Wereldoorlog tot in alle uithoeken van de wereld gevolgen had. Maar waar ik het meest van opkeek is dat religiositeit na 1945 een grote opleving doormaakte. Ik heb altijd gedacht dat de slachting tijdens de oorlog mensen van hun geloof had doen vallen, op basis van de redenering: als God Auschwitz toestaat, dan bestaat hij niet. Maar het tegendeel bleek waar. Niet alleen zaten de kerken vol, maar een beweging als de Morele Herbewapening, die nog altijd bestaat, groeide uit tot een internationale massabeweging.”

Had de opleving van religie te maken met de angst in de titel van uw boek?

„De Tweede Wereldoorlog ging om vrijheid. Europese landen als Nederland werden bevrijd en na de oorlog bevrijdden Azië en Afrika zich van het kolonialisme. Maar vrijheid is, zeker op individueel niveau, ook angstaanjagend, stelde Jean-Paul Sartre al in 1945 vast. Individuele vrijheid betekent dat je zelf verantwoordelijk bent voor je daden. In tegenstelling tot het slachtoffer kan een vrij persoon niet iemand anders de schuld geven. We zijn daarom bang om vrij te zijn, zoals Erich Fromm al beweerde in zijn boek Angst voor de vrijheid uit 1941. We doen er dan ook alles aan om niet de verantwoordelijkheid van onze vrijheid te dragen. Je aansluiten bij een al dan niet religieuze groepering is een manier om daaraan te ontkomen, geloven in God ook. De slachtofferrol spelen is een andere.”

U begint uw boek met de mythes die de Tweede Wereldoorlog heeft opgeleverd, zoals de mythe van de held en de mythe van het monster. De gevaarlijkste mythe is volgens u die van het martelaarschap en het slachtoffer, die het gevolg is de Holocaust. Waarom?

„Omdat de mythe van het martelaarschap nu nog het sterkst aanwezig is. En het gevaar is dat slachtofferschap je ontslaat van verantwoordelijkheid. Als je jezelf een martelaar voelt, als je vindt dat de wereld je groot onrecht heeft aangedaan, dan ben je gerechtigd om alles te doen. Begrijp me niet verkeerd, slachtoffers bestaan. Maar misschien met uitzondering van het kind dat naar Auschwitz werd afgevoerd, dragen slachtoffers, hoe weinig ook, zelf ook verantwoordelijkheid.”

Aharon Appelfeld, de onlangs overleden Israëlische schrijver wiens levensverhaal u in uw boek vertelt, kreeg ook zoiets te horen, toen hij in 1946 naar Palestina emigreerde na in Oost-Europa de Holocaust te hebben overleefd.

„Appelfeld en andere overlevenden van de Holocaust waren in Palestina niet zo welkom. Toen Appelfeld aankwam in wat enkele jaren later Israël zou worden, was dit het land van de helden. De Joodse kolonisten hadden er grond verkregen en waren bezig een eigen staat te vormen. De Joodse helden keken neer op de Holocaust-overlevenden. Ze zagen hen als zwakkelingen, als lammeren die zich naar de slachtbank hadden laten leiden. Ze waren niet voor zichzelf opgekomen, iets dat de Joodse helden wél hadden gedaan door de Palestijnen te verjagen.”

Helden en monsters bestaan niet

Toch veranderde Israël van het land van de helden in het land van de slachtoffers, schrijft u. Hoe kwam dat?

„De vele duizenden overlevenden van de Holocaust die naar Israël emigreerden, hebben uiteindelijk de cultuur veranderd. Het Eichmann-proces in 1961 in Jeruzalem was een keerpunt en heeft het Israëlische bewustzijn veranderd. De Israëlische staat heeft het proces tegen een van de organisatoren van de Holocaust gebruikt om één ondeelbare natie te smeden. De Holocaust was voortaan niet iets dat alleen de nieuwkomers was overkomen, maar alle Joden, de hele Israëlische natie. Ook in het geval van Israël kun je vaststellen dat het slachtofferschap wordt gebruikt om alle daden te rechtvaardigen. Toen Israël in 1982 Libanon binnenviel en falangisten in Palestijnse kampen in Beiroet aan het moorden sloegen, rechtvaardigde premier Menachem Begin dit met een verwijzing naar het Duitse vernietigingskamp Treblinka. We zijn slachtoffers, en we zullen altijd slachtoffers blijven, tenzij we zelf het heft in handen nemen, zo redeneerde Begin. Om niet weer slachtoffer te worden, hebben we het recht om grof en bloedig geweld te gebruiken.”

U schrijft dat we van de personages in de romans van Appelfeld kunnen leren. Wat dan precies?

„Alle personages in zijn boeken zijn tweeslachtig. Zijn boeven hebben een menselijke kant en doen ook goede dingen. Zo ontkrachten ze de mythe van het puur slechte monster. En de helden handelen niet altijd zo moreel hoogstaand als de mythische helden. Daar houd ik van. Pure goedheid en pure slechtheid bestaan niet.”

Ook naties noemt u een mythe. Maar naties zijn toch een realiteit?

„Maar uiteindelijk is een natie toch fictie, een ingebeelde gemeenschap. Neem Indonesië waar ik in Angst en Vrijheid een hoofdstuk aan wijd. Indonesië is een archipel van een stuk of 15.000 eilanden die weinig gemeenschappelijk hebben. In religieus, sociaal én taalkundig opzicht verschillen de inwoners enorm van elkaar. De natie Indonesië ontstond uit verzet tegen de Nederlandse overheersing, en dat is het belangrijkste, misschien wel enige bestaansrecht van Indonesië als natie. Maar al zijn naties fictie, zolang men erin gelooft, zijn ze inderdaad een realiteit. Dat geloof kan gauw verdwijnen. Kijk naar mijn eigen land, Groot-Brittannië. Driehonderd jaar bestond er een verenigd Brittannië en niemand dacht dat dit ooit anders zou zijn. Maar nu overweegt Schotland eruit te stappen. Tien jaar geleden was dat nog ondenkbaar. En dat komt doordat de Schotten zichzelf anders zijn gaan zien: ze zijn zichzelf meer als Schot dan als Brit gaan beschouwen.”

Ook in Europa werd na de Tweede Wereldoorlog het nationalisme sterker, stelt u vast. Toch noemt u de EU de meest succesvolle internationale organisatie van na 1945.

„Ja, misschien wel juist daarom. Over het geheel genomen heeft de EU meer goed dan kwaad gedaan. De grootste verdienste is dat de unie ondanks het nationalisme het continent bij elkaar gehouden heeft. Ook heeft de EU bijgedragen aan het gegeven dat er in Europa na 1945 geen grote oorlog heeft plaatsgevonden. Ik weet het: sommige historici vinden dat niet de EU maar de NAVO oorlog in Europa heeft voorkomen. Maar daar behoor ik niet toe. NAVO en EU zijn in deze kwestie niet van elkaar te scheiden.”

U bent tegen de Brexit. Toch hebt u niet de open brief van Britse historici tegen de Brexit ondertekend. Waarom niet?

„Omdat het debat over de Brexit indruist tegen wat ik met Angst en Vrijheid duidelijk wil maken. Het debat wordt gevoerd in absolute termen. Voor de voorstanders is de EU heilig, tegenstanders schilderen haar af als de duivel. Dit wordt ook in de hand gewerkt door het referendum: om kiezers te overtuigen moet je het standpunt van de tegenstander als het kwaad presenteren. En aan zo’n debat over goed en kwaad doe ik niet mee. Bovendien wil ik niet de alwetende historicus uithangen die alles objectief beziet en alles zeker weet. Ik ben niet onfeilbaar.”

Toch valt er iets te leren van de geschiedenis, schrijft u.

„Zeker, al was het alleen al omdat we niets anders hebben om van te leren. Maar we moeten van de echte geschiedenis leren en niet van de mythes die de plaats in hebben genomen van geschiedenis. De onmogelijkheid om in één keer een nieuwe wereld te scheppen, is misschien wel de belangrijkste les van de nasleep van de Tweede Wereldoorlog. Ik houd van de metafoor die de Oostenrijkse filosoof Otto Neurath heeft bedacht voor de ontwikkeling van de wetenschap. We zijn als zeelieden die in een gammel, oud houten schip op de zee varen, schreef hij. Het is onmogelijk om de boot naar een dok te slepen en het daar te herbouwen. Dus moeten de zeelieden al varende de boot van binnenuit herbouwen, plank voor plank. Ze moeten altijd iets op z’n plek houden en dat gebruiken als basis om verdere veranderingen door te voeren. Wanneer te veel tegelijkertijd wordt veranderd, zinkt de boot.”