Waarom zouden we poëzie lezen?

Gedichten Het is Gedichtendag. Dichter Ingmar Heytze geeft antwoord op de vraag die hij eigenlijk nooit krijgt over poëzie.

Illustratie CSA Images/Mod Art Collection

Tijdens optredens op scholen krijg ik vaak de vraag hoe je dichter wordt. Ik heb daar een dozijn antwoorden op, die allemaal de werkelijkheid in meer of mindere mate geweld aan doen. Het dertiende, eerlijke antwoord geef ik alleen als ik het geen leuke school vind: ‘Je begint op een dag als een bezetene met gedichten lezen en schrijven, zonder enig idee waarom. Je doet – en laat – er alles voor. Voor wat anderen misschien bezighoudt heb je alleen belangstelling als het in je eigen schrijfkraam te pas komt. Je verwaarloost en exploiteert familie, partners en vrienden. Je steelt ideeën van iedereen. Op feestjes verlies je je in je eigen gebeuzel, je leeft in je hoofd, je graaft door jezelf heen als een mol, je leeft egocentrisch achter het grote papieren schild van dat heilige schrijven dat zo belachelijk belangrijk voor je is. Je doet dat jaren, decennia achter elkaar, totdat je volzinnen ademt en drukinkt pist, zonder enige garantie op succes. Of je laat het. Als je kunt, laat het dan.’ Ik word door steeds meer leuke scholen teruggevraagd.

Soms wil iemand van me weten welke dichters je moet lezen, hoe je gedichten moet lezen, of ze autobiografisch zijn en of ze moeten rijmen of juist niet. Niemand vraagt ooit waarom we eigenlijk gedichten zouden lezen. Het lijkt alsof de vraag zo voor de hand ligt, dat iedereen hem vergeet – of uit zijn hoofd zet, uit angst dat het een domme vraag is.

Ik vind het geen domme vraag. Ik heb er weliswaar geen sluitend antwoord op, maar dat komt door de manier waarop hij gesteld is. Ik kan niemand aanraden om ‘poëzie’ te lezen, want wat bedoel ik daarmee? Alle gedichten die er ooit waren en ooit zullen zijn? Mijn eigen gedichten? Die van Tim Hofman? Wat is trouwens een gedicht, wat niet? Om over ‘we’ al helemaal niet te beginnen. Poëzie is voor iedereen, maar niet omgekeerd. Er zijn hele volksstammen voor wie het lezen van gedichten me ronduit onverstandig lijkt.

Maak het clandestien

Er zijn zelfs mensen die ik het liefst zou verbieden om ooit een gedicht te lezen. Scholieren bijvoorbeeld. Een verbod is immers een mogelijkheid, zoals Jan Wolkers ook al ergens schrijft. Die mogelijkheid wordt me nu iets te vrijblijvend aangeboden. Uit al die goedbedoelde lespakketten, gedichtendagen en poëzieweken valt niet op te maken dat poëzie iets essentieels is voor het leven. Ze hinten eerder naar het omgekeerde: poëzie moet aan de man gebracht worden, want kennelijk begint geen geestelijk gezond mens er uit zichzelf aan. Maak het clandestien, zou ik zeggen. Start een overheidscampagne. Deel folders uit. Maak SIRE-spotjes met beelden van bezoekers van de Nacht van de Poëzie, wanneer ze na afloop de wereld weer in wankelen, hun ogen dichtknijpend tegen het felle licht, met de handen op de oren tegen het schelle gekwinkeleer van de vogels. Waarschuw ons voor de gevaren met afschrikwekkende foto’s van jonggestorven poëten op dichtbundels.

Er zijn zelfs mensen die ik het liefst zou verbieden om ooit een gedicht te lezen. Scholieren bijvoorbeeld

Waarom zouden we gedichten lezen? Alle goede gedichten die ik ooit las, zijn samen het antwoord op de vraag. Alle slechte – een veelvoud dat in de honderden loopt – niet. Maar wie nooit een gedicht las, heeft alleen de gedichten die hij niet heeft gelezen als antwoord. Wat dat betreft heeft uitleggen waarom we poëzie zouden lezen wel iets van het zoeken naar een godsbewijs. Ik zeg het in deze termen omdat ik vind dat poëzie veel te maken heeft met het geloven in een hogere macht – het lijkt me vooral een kwestie van persoonlijke bedrading of je er gevoelig voor bent of niet.

Lees ook de column van Ellen Deckwitz over Vonkt van dichter Marije Langelaar: “Ik deed Vonkt afgelopen jaar cadeau aan enkele vrienden die in een relatiecrisis zaten, en iedereen fleurde ervan op.

Mensen die verklaren dat ze geen gedichten lezen, geven vaak als reden dat poëzie onbegrijpelijk is. De beste poëzielezers die ik ken, lezen precies om die reden wél poëzie. Vaak hebben ze verantwoordelijk, goed betaald werk (de meeste dichtbundels zijn tegenwoordig al snel twintig euro of meer, wat belachelijk duur is voor een binnenwerk van 64 pagina’s met een slap kaftje en een gelijmde rug, terwijl verzamelde werken en bloemlezingen dan weer bespottelijk goedkoop zijn. Als je wilt dat er nog eens iemand een nieuwe bundel van een hedendaagse dichter leest, zou het natuurlijk precies omgekeerd moeten zijn). Deze mensen moeten de hele dag al stapels papier bestuderen en begrijpen. Als ze dan een dichtbundel pakken proberen ze niet om het geheim uit het gedicht te peuren, want dat is precies wat ze koesteren. Alles wat we te lezen krijgen, is bedoeld om begrepen te worden, behalve poëzie. Dat is de enige tekstsoort waarbij je het helemaal zelf mag weten, waarin het doodvermoeiende nut van alles ter discussie wordt gesteld.

Bezeten raken

Als ik voor alle gedichten en lezers moet spreken, houd ik het op wat Robin Williams als de leraar John Keating zijn pupillen voorhoudt in de film Dead Poets Society, die uitkwam in 1989, het jaar dat ik zelf als dichter debuteerde: we lezen (en schrijven) gedichten omdat we tot het menselijk ras behoren. Je kunt van alles doen dat op het oog meer zin heeft dan gedichten lezen en schrijven, maar die ‘zin’ heeft vooral te maken met voorwaarden scheppen om in leven te zijn. Poëzie behoort echter tot die verrukkelijke dingen waarvan je volslagen bezeten kunt raken, een van die vele dingen waarvoor het de moeite waard is om adem te blijven halen: kunst, liefde, goede verhalen, geweldig denkwerk, schoon- en lelijkheid, orde in de janboel of juist chaos in de aangeharkte orde, ritme, klank, muziek. In de gedichten die ik mooi vind, zijn zoveel mogelijk van deze dingen in een paar zinnen samengebald. Daarom lees ik gedichten, en vanuit die gedachte probeer ik ze te schrijven. Het is niet zo moeilijk om nog een stuk of elf van dit soort naïevige, zoetromantische redenaties, waarmee zelfs de meeste poëziemoeë dichter zichzelf nog zou kunnen overtuigen, op een rij te zetten. Maar misschien gaat het ook bij deze vraag wel om dat simpele, onaardige, dertiende antwoord: ‘Of je laat het. Als je kunt, laat het dan.’

Angst voor bezems

Ik ben bang dat ik een huis ben
door velen bewoond die nooit klaar zullen zijn
met rondstommelen ’s nachts en met vegen
en dat stof in plaats van bloed mijn aderen vult
en herfst mijn blik, daar waar de weg draait.

Ja, ik ben bang dat het baanwachtershuisje
mijn vrouw is in een koude mist vol regen
terwijl de trein mijn enige werkelijke liefde is
en dat de glimlach van mijn kinderen op bezoek komt
als lichtkegels die de muren vegen, terwijl zij

in kleine, snelle, witte sportwagens zitten
die uit de bocht scheuren. Ja, ik ben bang
vooral voor de bocht, en voor de bezem en het licht
dat mij uit de hoeken veegt, uit mijn jassen
en voor het geluid van de dozen als ze vertrekken.

Ik ben bang dat ik een huis ben en bang
voor het huis en bang de anderen te ontmoeten
wanneer ze vegen of het huis repareren.
En ik ben bang dat alleen het stof kan getuigen
dat ik mij ben, en het vermolmde baanwachtershuisje

en de herfst, de rails, de trein en de bocht van de weg…

Henrik Nordbrandt, Angst voor bezems. Droombruggen, vertaling Gerard Rasch, Wagner & Van Santen, Amsterdam, 2000

    • Ingmar Heytze