Jeugdgevangenis De Doggershoek in Den Helder.

Foto Koen Suyk/ANP

Rechten jongeren in geding bij voorlopige hechtenis

Jeugdstrafrecht

Rechters passen voorlopige hechtenis van jongeren onzuiver toe, stelt jeugdrechtexpert Yannick van den Brink, die deze donderdag promoveert. Wat bedoeld is om zo’n jongere te helpen, kan opeens een straf zonder proces worden.

Stel, een jongen, vijftien jaar, zit vast op het politiebureau. Hij is net aangehouden voor wat hij al twee keer eerder heeft gedaan: een portemonnee stelen onder bedreiging van een schroevendraaier. De officier van justitie wil dat hij langer blijft vastzitten. Want straks pleegt de jongen vóór het vonnis van de rechter nóg een straatroof. De rechter willigt het verzoek in en geeft een bevel tot voorlopige hechtenis. Gevolg: de 15-jarige verdwijnt achter de hoge hekken van een jeugdgevangenis. Daar wacht hij, ruim een maand, het begin van de rechtszaak af.

Aan dit systeem van voorlopige hechtenis kleven belangrijke bezwaren, zegt universitair docent jeugd- en strafrecht in Leiden Yannick van den Brink na onderzoek waar hij deze donderdag op promoveert. „De wet en rechterlijke mores werken in de hand dat minderjarigen op oneigenlijke gronden in voorlopige hechtenis belanden.”

Jeugdrechtexpert Yannick van den Brink Shawfotografie

Voorlopige hechtenis is vrijheidsbeneming zonder proces. Zonder bewijs van schuld. „Het toepassen ervan is dan ook alleen toegestaan om ‘acuut gevaar’ af te wenden”, zegt Van den Brink. Denk aan recidiverisico. Of vluchtgevaar. Of een kans op maatschappelijke onrust als de verdachte voorlopig vrijkomt.

Maar wat blijkt, zegt Van den Brink: „Rechters rekken die gronden voor voorlopige hechtenis zó op dat ze jongeren nauwelijks nog rechtsbescherming bieden.”

Dat zit zo. Rechters mogen beslissen hoe minderjarige verdachten de tijd tussen hun arrestatie en rechtszaak doorbrengen. In absolute vrijheid, in voorlopige hechtenis of in voorwaardelijke vrijheid. Die laatste optie is bij rechters geliefd: vrijheid onder voorwaarden staat garant voor begeleiding door een jeugdreclasseerder en, wie weet, voor een eerste stap op weg naar een beter leven.

Om te voorkomen dat rechters „te lichtzinnig” een jongere in voorwaardelijke vrijheid stellen, is in de wet een omweg ingebouwd. Eérst moeten ze de verregaande maatregel van voorlopige hechtenis opleggen, om die daarna direct te schorsen. Pas dán mag de jongere voorwaardelijk vrijkomen.

Met andere woorden: ook voorwaardelijke vrijheid is alleen toegestaan als aan een grond voor voorlopige hechtenis wordt voldaan, zoals het genoemde recidivegevaar.

Tot zover de theorie.

„De praktijk is”, zegt Van den Brink, „dat rechters zo graag kiezen voor die optie van voorwaardelijke vrijheid, dat ze bereid zijn de gronden voor voorlopige hechtenis opvallend ruim te interpreteren.” Hij onderzocht 201 aanvragen van voorlopige hechtenis door de officier van justitie. Geen enkele werd door rechters op gebrek aan gronden afgewezen. „Eén rechter zei letterlijk tegen mij: ‘Je vindt altijd wel een grond.’” Neem het gevaar van recidive: zelfs zonder strafblad kunnen rechters op die grond voorlopige hechtenis opleggen, bijvoorbeeld door te stellen dat het misdrijf zó onverwacht is gepleegd, dat recidive niet kan worden uitgesloten.

Waarom is dat oprekken van zo’n grond slecht voor jongeren?

Stel dat een jongen zich niet aan de voorwaarden van zijn vrijheid houdt, zegt Van den Brink, zoals een opgelegde avondklok. Dan moet een jongere bijvoorbeeld elke dag, soms maandenlang, om zes uur thuis zijn. Als hij de afspraak schendt, denkt de rechter al gauw: die jongen moet het wél leren. Dus die legt alsnog voorlopige hechtenis op. Van den Brink: „Maar naar die opgerekte gronden wordt dan allang niet meer gekeken. Dan zie je dat een oorspronkelijk onrechtmatig gegeven bevel tot voorlopige hechtenis kan leiden tot vrijheidsbeneming van een minderjarige.”

Voorlopige hechtenis wordt echter niet alleen onzuiver toegepast met het doel minderjarige verdachten voorwaardelijk vrij te laten, maar ook met het doel hen op te sluiten. Stel, een minderjarige verdachte mag na zijn arrestatie zijn strafzaak in vrijheid afwachten. Dan is het „vaste praktijk” onder rechters, zegt Van den Brink, om de verdachte maanden later, bij zijn veroordeling, niet alsnóg van zijn vrijheid te beroven. Want dán een celstraf opleggen, is volgens veel rechters pedagogisch onverantwoord.

Rechters die kort na de arrestatie moeten beslissen over voorlopige hechtenis, lopen op die vonnispraktijk vooruit. Want die noopt hen ertoe – bij een misdrijf dat ernstig genoeg is – jongeren vast te zetten, puur om te voorkomen dat ze er helemáál zonder vrijheidsstraf van afkomen. „Voorlopige hechtenis wordt dan eigenlijk ingezet als straf, nog voordat sprake is geweest van een proces”, zegt Van den Brink.

Hoe problematisch dat is, blijkt uit ander Leids onderzoek geleid door Van den Brink: een op de tien minderjarigen in voorlopige hechtenis wordt uiteindelijk niet veroordeeld. „Dit cijfer laat zien hoe riskant het is om met voorlopige hechtenis vooruit te lopen op de straf. Uitgangspunt moet zijn: geen straf zonder schuld.”