Recensie

Over het poollandschap niets dan goeds

Ellen de Bruin

De debuutroman Onder het ijs vertelt speels en levendig over een jonge wetenschapper die op poolexpeditie gaat vlak na de dood van haar baas, haar droomman. Door feestelijke weetjes en verwonderde vragen sprankelt het boek.

Vogels klinken er niet als vogels, echt donker wordt het er nooit, en de doden zitten op de bedrand. Het is een wondere wereld die Ellen de Bruin, wetenschapsredacteur van NRC, schetst in haar debuutroman Onder het ijs. Hoofdpersoon Bas, een microbiologe van 21, vaart over de Noordelijke IJszee. Ze is mee op een wetenschappelijke expeditie. Het lege landschap beneemt haar de adem. Ja op alles, denkt ze, als ze de mistige wereld, de doorbrekende zon, de vlakte van zee-ijs in ogenschouw neemt. Volmondig ja.

Dat is nieuw, want Bas is ferm en volledig in de rouw. Haar baas Reinier is plots gaan hemelen na het eten van een rauw schelpdier. In het vernuftig gecomponeerde begin van het boek staat hij centraal. De lezer denkt met een dode hoofdpersoon te worden opgescheept. Hoe is het, om op je 42ste ineens dood te zijn? En waar bevindt hij zich, wat is dit voor ‘plek waarvan hij nooit gedacht had dat die zou bestaan’?

En dan slaat het verhaal om naar het meisje Bas. Dit alles bestond alleen in haar gedachten, blijkt nu. Ze aanbad haar baas, hij was, en is nu helemaal, haar droomman. Gaande de roman ontdekt de lezer wat Bas zich allemaal in haar hoofd haalde. En haalt. Ze kende hem eigenlijk nauwelijks en blijkt een hoogst onbetrouwbare verteller.

Nog geen week na Reiniers verscheiden belandt ze in Noorwegen. Daar zal in de zeebodem geboord worden, voor onderzoek op fossielen van ‘dinoflagellaten’, eencellige algen. Ze vertellen een verhaal over vroegere klimaatverandering. De Bruin introduceert dit alles terloops, verpakt in dialogen. De roman is leerzaam, maar wordt nooit droog uitleggerig. Onder het ijs is juist een speels en levendig boek.

Bas spaart lego-poppetjes en eet schuimspekkies in de vorm van autootjes. Ze zegt het liefste niets, maar associeert er lustig op los. Ze is verstrooid, praat vaak hardop als ze denkt dat ze iets alleen maar denkt, en vraagt zich bij voortduring af wat anderen van haar vinden. Maar ze ziet veel en vindt van alles. Er staan razend veel feestelijke weetjes en verwonderde vragen in dit boek. Bijvoorbeeld: als je je verslikt, moet je gauw een grotere slok nemen, dat helpt. Of: ‘besokt zijn voeten vormeloze dingen’. Of: als een gebied ongerept is, kun je het dan ook ‘reppen’? En heeft dat woord dezelfde taalkundige oorsprong als het Engelse to rape?

Al deze franje zit de afwikkeling van de plot niet in de weg. Bas doet wel degelijk alsnog ontdekkingen over de dode Reinier, naast ontdekkingen over onze planeet. Het verhaal ontrolt zich met vaart. Maar juist die verwonderde bemerkingen, de manier van kijken van de hoofdpersoon, maken de kracht van het boek uit. Het sprankelt.

Minder geslaagd is het veelvuldig herhalen van informatie. Keer op keer lezen we dat de hoofdpersoon ‘vuilblond’ haar heeft. Of dat ze in de ruime hut van haar dode baas mag slapen. Daarbij komt dat een aantal onthullingen wel érg lang wordt uitgesteld. Zo heeft Bas seks in de nacht, zonder te weten met wie. Was het met de dode droomman? Nee, want ze vindt een gebruikt condoom. Dan was het zeker met de ‘senior communicator’ van het schip, notoir versierder Patrick Kooltje. Het is (te) moeilijk te geloven dat ze het hier lange tijd bij laat.