Foto Frank Ruiter

Dichter Jean Pierre Rawie heeft een hekel aan dichterlijke vrijheid

Lunchinterview Jean Pierre Rawie (66) schreef na vijf jaar een nieuwe dichtbundel. „Een goed gedicht is onschadelijk gemaakte angst.”

De dichter is te herkennen door de eerste strofe van zijn gedicht Notabel: ‘Ik ga steevast gekleed in een tenue de ville, zoals dat heet’. Driedelig pak, getrimde baard, gouden horlogeketting. Na een beroerte in 2011 – waarbij hij rechtszijdig wankel raakte – is een wandelstok toegevoegd aan zijn dracht. Jean Pierre Rawie, 66, Nederlands best verkopende, nog lévende dichter, laat zich wellicht het best verklaren aan de hand van zijn gedichte regels.

‘Men noemt mij u’, vervolgt hij in het sonnet. En: ‘Gelegenheden waar ik wat verteer, ontvangen met egards zo’n deftig heer.’ Klopt allebei. De ober van het Groningse etablissement, kennelijk wetend wie hij voor zich heeft, overhandigt hem eerst de wijn- en daarná de menukaart. Rawie stelt voor te tutoyeren, om de afstand te verkleinen die ‘u’ zeggen zijns inziens schept. „Oesters?” oppert hij tot drie keer toe. Ik bedank, hij zwicht uiteindelijk voor een flinterdunne pizzette. Dat die vrijwel onaangeroerd op zijn bord zal blijven liggen, moet ik hem niet euvel duiden. Hij is gewend „met een boterhammetje” te lunchen en wat hem ook parten speelt, is zijn onwillige rechterhand.

Met gedichten van die hand debuteerde hij op z’n 25ste met Het meisje en de dood. Onlangs is zijn achttiende bundel verschenen, getiteld Handschrift. Eenendertig gedichten die zich zogezegd aan hem opdrongen. Het enige wat hem te doen stond, was ze onthouden en in één ruk opschrijven. Sinds zijn beroerte, helaas, op een tekstverwerker. „Ik had een fraai handschrift”, verzucht hij. Nu zelfs signeren niet meer gaat, heeft hij van zijn handtekening een stempel laten vervaardigen.

Aan dichtregels over het vervliegen van de tijd geen gebrek bij Rawie. ‘De jaren zijn mij ondershands ontkomen. De tijd verdween ‘niet meer in draf, maar in galop’ en ‘Soms is het of ik al onzichtbaar ben’. Maar nou heb ik eens zitten rekenen… Op Handschrift hebben zijn lezers vijf jaar moeten wachten. En daarvoor, zo tussen 1999 en 2012, was hij stil. „Dertien onvruchtbare jaren”, knikt hij. Jaren waarin hij „poëtisch althans” gezwegen heeft. Waarom toch? „Ik twijfelde aan het nut van poëzie. Of alles wat ik wilde zeggen niet al gezegd was.” Hij heeft wel eens gedacht, zegt hij, dat zijn succes te vroeg is gekomen. „Van aanstormend talent ben ik een ouwe lul geworden. De fase ertussen is me ontgaan.”

De ouderdom komt slinks en achterbaks’, dicht hij. ‘Staar, jicht, de zichtbaarheid des schedeldaks.

Scheppingsdrang

Zo oud is hij toch nog niet, tracht ik hem op te beuren. „Ik voel me ouder dan ik ben”, zegt hij. Eigenlijk was hij als jongetje al bejaard, want ‘van kindsbeen af behept met kwalen’. Zoon van een doopsgezinde luchtmachtpredikant, opgegroeid in Winschoten, één acht jaar oudere zus. Over wat hij als kind zoal mankeerde, laat hij zich niet uit. Na je twintigste, zegt hij, dient men niet meer te zeuren over de jeugdjaren. Samengevat was hij een „ziekelijk joch” en een „kwasterig kereltje” dat niet uitblonk in sport en dat op het Winschoter gymnasium een begaafd spijbelaar was. Na zijn staatsexamen heeft hij successievelijk Russisch, Italiaans en Roemeens gestudeerd, maar geen studie afgemaakt. Desalniettemin heeft hij, zonder ooit „een slag eerlijk werk te verrichten”, altijd ruimschoots in zijn levensonderhoud kunnen voorzien als dichter.

„Aldus heb ik een redelijke leeftijd bereikt, zonder mezelf te ontzien.” Dan zegt hij het nog netjes. Nee, nee, schudt hij, hij is geen alcoholist. „Hooguit een alcoholicus.” Hij citeert eerst Gerard Reve – „Ik heb nooit meer gedronken dan strikt noodzakelijk was” – om daarna te erkennen dat hij „extreem alcoholische jaren” heeft gekend. Waar tegenover staat dat er ook drie jaar zijn geweest waarin hij „geen drup” gedronken heeft. Dat was nadat hij, na het Boekenbal in 1987, meer dood dan levend in het ziekenhuis werd opgenomen met een acute alvleesklieraandoening en een longontsteking. Tegenwoordig dicht hij zinnen als: ‘Wanneer ik straks aan al mijn matigheid ben overleden’ en beperkt hij zich tot een fles wijn of twee per dag.

Tegenwoordig beperk ik me tot een fles wijn of twee per dag

Wat maakte dat hij na die dertien jaar de pen, pardon, computer weer beroerde? „Pure scheppingsdrang.” Natuurlijk is alles al gezegd. Maar het gaat, zegt hij, om de toon waarop het gebeurt. Goed dat hij er zelf over begint, want zijn toon wordt door critici soms aangeduid als oubollig en archaïsch. Hij maakt een wegwerpgebaar en zegt dat de „literaire wereld een naijverige wereld” is. Hij kan het niet helpen dat kunstbroeders struikelen over „zijn soort Nederlands” met woorden als ofschoon, reeds of weleer. „Mogen we niet meer spreken van strijklicht of eeuwwende? Moeten we Bijbels taalgebruik maar verbieden? Dan stik ik. Ik duid tijd nu eenmaal liever aan met een zandloper dan met een digitaal horloge. Het zijn de nieuwste snufjes die het eerst verouderen.”

Lees ook: Dichter Ingmar Heytze zou sommige mensen het liefst verbieden poëzie te lezen

Ook heel onmodern zijn de vormen waaraan hij de voorkeur geeft; meest sonnetten, een enkel rondeel. „Vorm breidelt de inspiratie niet, net zo min als de componist zich laat ringeloren door de muzieknoten.” Net als een muziekstuk dient een gedicht de ontvanger bij de „eerste confrontatie” te raken. „Ik heb een hekel aan dichterlijke vrijheid. Mijn verzen kloppen ritmisch en ze rijmen. Men vindt dat gelikt.” Perfectie, weet hij, wekt argwaan. Zijn vinger nu belerend in de lucht: „Vergis u niet in de ogenschijnlijke eenvoud. Vorm en rijm hebben een ordenende functie. Ze structureren de chaos van het bestaan.” Dat is wat hij dichtend doet. „Een goed gedicht is niets anders dan angst onschadelijk gemaakt met woorden.”

Onder vreemde ogen

„Ik ben niet echt dom”, begint hij. Hij kent zijn talen. „Maar er is poëzie van tijdgenoten die ik niet versta.” Veel meer voelt hij zich verwant aan de Zuid-Europese barok-dichters van omstreeks 1600. „Een tijd ook waarin de dood meer op straat lag.” In zijn nieuwe bundel staan enkele door hem vertaalde gedichten van Italiaanse, Russische, Spaanse schrijvers uit die periode. Nee, zegt hij, het maakt geen verschil of hij iets zelf creëert of vertaalt. „Elk gedicht dat je maakt, bestaat al.” En bovendien, het gedicht kiest de vertaler uit. „Uiteindelijk wordt het toch een Rawie-gedicht.” Waar het om gaat, is dat een gedicht gelezen wordt. „Het bestaat pas als het onder vreemde ogen komt.” En wat dat betreft zit Rawie meer dan goed. „Annie M.G. Schmidt en Gerard Reve bewonderden mijn werk.” Daarenboven is hij, naast Judith Herzberg en Nel Benschop, de meest geciteerde dichter in rouwadvertenties en op grafzerken. „Dat lijkt me wel een graadmeter voor maatschappelijke relevantie.”

Van aanstormend talent ben ik een ouwe lul geworden. De fase ertussen is me ontgaan

Hoe ernstiger het onderwerp, hoe troostender het gedicht. Hij heeft al vier decennia dezelfde „oerthema’s”: drank, liefde, dood en andere narigheid. Stuk voor stuk „symptomen” van het werkelijke thema, de voorbijgaande tijd. Sinds hij is geminderd, komen dronkenmansavonturen en drinkgelagen minder aan bod. ‘Het geluk komt karig en te laat’, dicht hij. Maar mooi dat het geluk hem uiteindelijk gevonden heeft en wel in de persoon van Esther van der Meer, chef redactie Groningen bij het Dagblad van het Noorden. Zij was student Nederlandse letterkunde en kwam hem interviewen. Vijftien jaar geleden, alweer. „Ze is zogezegd op me afgestudeerd.” In een rondeel over haar liefhebberij om bij het geringste zonnestraaltje in zee te zwemmen, merkt hij terloops op: Er is altijd wel wát met een vriendin. Het was na een bezoekje aan de Efteling met haar dat een minuscuul bloedpropje een ader in zijn brein kortstondig verstopte, met alle gevolgen van dien.

Oude bakkers

‘Zij komt pas kijken, en ik word al oud’, dicht hij. Esther is dertig jaar jonger dan hij. Vindt hij zelf ook heel opmerkelijk. „Een jonge vrouw die de beste jaren van haar leven aan mij vergooit.” Vrouw met een drukke baan ook, en dan leven met een dichter. Kinderwens?, vraag ik neutraal. Hij citeert de schrijvende bioloog Midas Dekkers, over oude bakkers die vers brood bakken, en oude mannen die jonge kinderen opvoeden. Maar dan volgt een resoluut nee. „Als ik bedenk hoe ik zelf als kind was. Je hebt er jaren ellende van.”

Lees ook de column van Ellen Deckwitz over Vonkt van dichter Marije Langelaar: “Ik deed Vonkt afgelopen jaar cadeau aan enkele vrienden die in een relatiecrisis zaten, en iedereen fleurde ervan op.

Nu twee thema’s zijn weggespeeld – drank en vrouwen – blijft over: de dood. Laat het maar aan Rawie over om dat onderwerp in alle toonaarden te bezingen. Soms wrang en droevig. ‘Al menig lief is langer overleden, dan dat ze mij verdriet of vreugde bood.’ Soms wrang en geestig. ‘Aan wie ik ook maar dacht vandaag was dood’ Zijn ouders, geliefden, bevriende mededichters als Willem Wilmink, Gerrit Komrij, Driek van Wissen. Hij is verbaasd, zegt hij, over de levensfase waarin hij beland is. „Ik was altijd de jongste in het gezelschap. Dat ben ik al heel lang niet meer.” Erg?, vraag ik. Ach, zegt hij: „Je hoopt dat je werk je overleeft.” Dat dichtte hij al in: ‘Ik wilde dat mijn naam alleen maar voort zou leven – áls iemand hem nog weet – door wat ik heb geschreven en niet door wat ik deed.’ Hij hoopt dat de dood genadig is, en niet zo lang op zich laat wachten als bij zijn moeder – ze werd 93. Maar als hij komt, sluit hij de ogen „in volledige tevredenheid”.