Opinie

    • Maarten Schinkel

Hoe Duitsland en wij de EU-regels schenden

Zo moeizaam als de Duitse coalitievorming verloopt, zo hard gaat het met de Duitse economie. De jongste cijfers laten een bedrijvigheid zien die vol op stoom is. Normaal zijn Duitsers (en hun buren) al blij zat met een Ifo-index die 105 punten of hoger is. Dat wijst op een prima expansie van de economie. De jongste Ifo, over december, staat op 117,2.

Zo staat het met vrijwel alle indicatoren. De Bundesbank, de Duitse centrale bank, schatte maandag dat de economische groei in 2017 2,5 procent bedroeg en voorziet een soortgelijke groei voor 2018. De werkloosheid is inmiddels gedaald tot 5,5 procent – het laagst sinds de jaren tachtig.

Inmiddels draait de Duitse economie boven zijn capaciteit. De OESO, de club van rijke industrielanden, schat dat er een zogenoemde output gap was van 2,3 procent van het bbp in 2017. Duitsland vliegt, om het anders te zeggen, sneller dan zijn kruissnelheid. Dat wordt erger in 2018, als de output gap stijgt naar 3,3 procent en in 2019 als hij naar 3,8 procent gaat. Je voelt de motoren oververhitten, en de vleugels kreunen.

Wat voor beleid moet een nieuwe regering-Merkel, die tegen Pasen wordt verwacht, onder die omstandigheden voeren? Vorige week vrijdag organiseerde de Bundesbank samen met het Internationaal Monetair Fonds in Frankfurt een grote brainstorm over de Duitse economie. Een van de belangrijkste onderwerpen: het enorme overschot op de betalingsbalans. Dat was vorig jaar 7,9 procent en dit jaar wordt het 8 procent. Dat is enorm, zeker voor een grote economie als de Duitse. De voornaamste redenen: een spaaroverschot bij grote bedrijven en een surplus bij de overheid. Te weinig publieke en private investeringen. En achterblijvende lonen, waardoor andere landen hun productie te weinig bij Duitse consumenten kwijt kunnen.

Zo’n overschot maakt Duitsland niet geliefd. Niet binnen de eurozone, en ook niet bij het Amerika van president Trump. Maar wat doe je ertegen? Meer investeren in eigen land. Meer overheidsuitgaven. Daar was de crème de la crème van de verzamelde economen het theoretisch wel over eens. Maar dit soort maatregelen botst op de noodzaak de al hete economie af te koelen.

Het Nederlandse overschot op de betalingsbalans is relatief nóg groter dan het Duitse

Voor dat dilemma staat de nieuwe coalitie straks. Nu zei IMF-topeconoom Maurice Obstfeld wel dat de balans tussen de eurolanden wat rechter zou trekken als Duitsland een beetje oververhit. Maar het risico op wegrennende inflatie is, zoals bekend, geen geliefd onderwerp in Duitsland.

Dat maakt benieuwd naar de uiteindelijke plannen die Merkel zal presenteren. Dat is ook relevant voor Nederland. Want ons overschot op de betalingsbalans is, met volgens het IMF 10 procent, relatief nóg groter dan het Duitse.

Dit soort ‘macro-economische onevenwichtigheden’ zijn een heet hangijzer in de betrekkingen tussen landen. Het IMF heeft ze tot een speerpunt van zijn beleid gemaakt, en noemt dergelijke overschotten een tragedy of the commons: als ieder zo zijn eigen belang nastreeft dan lijdt op deze manier de gezamenlijke wereldeconomie daaronder.

In Europa gaat het verder. Daar ziet de Europese Commissie toe op zulke onevenwichtigheden en doet aanbevelingen ze terug te dringen. Het maximum voor een overschot op de lopende rekening van de betalingsbalans is 6 procent.

Terwijl Duitsland en Nederland andere landen graag op het overtreden van de begrotingsregels wijzen, lappen zij zelf de aanbevelingen van de Europese Commissie over het terugdringen van hun betalingsbalansoverschot aan hun laars. Vooral Duitsland krijgt kritiek. Nederland komt er tot nu toe, dankzij zijn kleinere omvang, goeddeels mee weg. Maar dat dachten we lange tijd ook over ons belastingparadijs.

Maarten Schinkel schrijft over economie en financiële markten
    • Maarten Schinkel