Recensie

Gergiev en Münchner Philharmoniker met andere blik op Strauss

Voor het eerst was dirigent Valery Gergiev in het Concertgebouw te beluisteren met zijn Münchner Philharmoniker. Een toporkest met strijkers als smeltchocola en een Strauss op grote voet, maar Brahms miste opperste finesse.

Dirigent Valery Gergiev Foto REUTERS/ Maxim Shipenkov/ Pool

Hij wordt in mei 65, Valery Gergiev, de drukstbezette dirigent ter wereld. Maar voor dirigenten is de „pensioensleeftijd” doorgaans slechts de start van een verlengd oogstseizoen, zoals Bernard Haitink (88) en Herbert Blomstedt (90) bewijzen. Bij Gergiev kruipt de concertteller inmiddels richting de 7000 en hoewel hij deze week op een Europese flitstournee is met de Münchner Philharmoniker, stond hij vorige week ook nog met het orkest van het Mariinsky Theater in Antwerpen en Rome.

Business as usual, kortom. In het Concertgebouw dirigeerde Gergiev 113 keer, maar niet eerder als chef van de Münchner Philharmoniker – een toporkest dat hier in 2010 voor het laatst was. Grappige constatering: ook in München hebben ze vruchten geplukt van Gergievs Nederlandse connectie. Solo-fluitist Herman van Kogelenberg en solo-cellist Floris Mijnders spelen nu in Gergievs Münchense orkest, wat – na de kwaliteit van hun spel weer eens unverfroren te hebben bewonderd – zeer begrijpelijk, en voor Nederland evenzeer jammer is.

Bekijk hier Herman van Kogelenberg met de Münchner in Debussy’s Prélude a l’après-midi d’un faune:

Gergiev kwam met Brahms Derde symfonie en Strauss’ Ein Heldenleben (1898) – een opvallende keuze aangezien dat stuk aan het Concertgebouworkest is opgedragen en ook nog daarna nog regelmatig (circa tweehonderd keer) door het orkest in eigen zaal is gespeeld.

Anders klonk de Münchense held zeker: minder grillig en wendbaar dan de Amsterdamse, steviger. Maar de heftige gevoelserupties, overtuigende soli en volle, warme klank van de 100 Philharmoniker maakten het zeker tot een imposante en meeslepend andere blik op Strauss.

Iets minder overtuigend klonk voor de pauze Brahms Derde symfonie – niet omdat de Münchense musici hier niet óók af en toe een strijkersgloed als smeltchocolade etaleerden, wél omdat Brahms gebaat is bij karakteristieken die hier en nu niet Gergievs grootste kracht bleken: spatgelijke inzetten, een architecturale weergave van motivisiche verwikkelingen, een in dat licht steeds op de gram na weloverwogen balans tussen de stemmen en dito souplesse in dynamiek en tempo.

Hier klonk Brahms – boud gesteld – wat horizontaal. Niet mis mee, maar van goed hout zaagt men planken, geen pronkmeubel. Het was soms lastig níet even verlangend te denken aan dirigenten als Blomstedt en Haitink, bij wie Brahms zoveel gelaagder kan klinken.

Luistertip:

    • Mischa Spel