Onderwijs universiteit lijdt onder geldpot van buiten

Wetenschapsbedrijf Het geld dat universiteiten voor extern onderzoek bijpassen, gaat ten koste van het eigen onderzoek én van het onderwijs.

Het onderwijs aan de universiteiten wordt steeds kariger bedeeld, doordat heel veel geld gaat naar onderzoeksopdrachten van buiten. Foto Koen Suyk/ANP

Universiteiten en universitair medische centra besteden een stuk minder geld aan onderwijs dan het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) denkt. Over 2016 bedroeg het verschil zo’n 500 miljoen euro, zegt Jos de Jonge van het Rathenau Instituut, dat onder onderzoek doet naar geldstromen binnen de academische wereld.

Oorzaak van het verschil, zo blijkt uit onderzoek dat het Rathenau Instituut woensdag heeft gepubliceerd, is de zogeheten matching. Bij matching zijn universiteiten verplicht geld bij te leggen bij onderzoeksopdrachten van buiten, zoals van Brussel of van fondsen als de Hartstichting. De academische instellingen halen steeds meer van zulk extern projectgeld (de zogenoemde tweede en derde geldstroom) binnen. Ze moeten daardoor ook steeds meer overheidsgeld (de eerste geldstroom) bijleggen. In 2004 ging het om 0,6 miljard euro. In 2016 was dat bedrag meer dan verdubbeld tot 1,3 miljard euro.

Het ministerie van OCW gaat bij de verdeling van de eerste geldstroom over de universiteiten en de universitair medische centra uit van een theoretische verdeling tussen onderwijs en onderzoek. Het aandeel van onderwijs is, volgens die verdeling, toegenomen. In 2004 was dat aandeel 40 procent, in 2016 was het 50 procent. Dit is een reactie op de sterke toename van het aantal studenten.

Maar het is een lumpsum en dus kunnen de academische instellingen het geld naar eigen inzicht besteden. Het Centraal Bureau voor de Statistiek brengt op basis van rapportages in kaart hoe de verdeling in de praktijk uitpakt. Het Rathenau Instituut heeft die cijfers naast elkaar gelegd en concludeert dat de daadwerkelijke uitgaven aan onderwijs lager uitvallen dan door OCW geraamd: de uitgaven bedragen niet 1,9 miljard euro, maar zo’n 1,4 miljard.

Lage baanzekerheid

Dat de matching beslag legt op een groot deel van het onderzoeksgeld uit de eerste geldstroom was bekend, zegt Jos de Jonge. Daardoor kunnen universiteiten minder het onderzoek uitvoeren dat ze zelf zouden willen. „Maar dat matching ook ten laste komt van het onderwijs was niet bekend”, zegt hij.

De trend legt volgens hem een knellend probleem van de huidige financiering bloot. „We willen als samenleving dat universiteiten uit hun ivoren toren komen, en meer luisteren naar vragen van buiten”, zegt De Jonge. Dat is gebeurd – de groei van de tweede en derde geldstroom laat dat zien. Daarnaast is de belangstelling voor universitair onderwijs enorm gegroeid. „Ook dat wordt gezien als een maatschappelijk nut, een hoger opgeleide samenleving.”

Maar het heeft tegelijkertijd tot problemen geleid. Door de groeiende projectfinanciering worden er steeds meer mensen op tijdelijke basis aangenomen. De baanzekerheid is, zeker voor beginnende onderzoekers, laag. Ander onderzoek laat zien dat onder promovendi de mentale klachten zijn toegenomen, en inmiddels verhoudingsgewijs erg hoog is. Aan de Universiteit Leiden en de Universiteit van Amsterdam loopt tussen de 35 en 40 procent een hoog risico op een depressie of een burn-out, zo is vorig jaar aangetoond.

Meer geld is meer onderzoek, meer publicaties, meer promotie

„Het is een vicieuze cirkel”, zegt De Jonge. Universiteiten grijpen de tweede en derde geldstroom aan om te groeien, en groeien is de norm. Willen jonge onderzoekers carrière maken dan is het een noodzaak om geld binnen te brengen. De Jonge: „Het bepaalt hun voortbestaan als onderzoeker.”

Meer geld, is meer onderzoek, is meer publicaties, is een hogere h-index (een maat om wetenschappers te ranken), is een grotere kans op promotie.

De Jonge: „Het is hoog tijd voor universiteiten om goed na te denken of ze niet een andere kostenberekening willen bij die matching.”

    • Marcel aan de Brugh