Recensie

Een man die voor alles te laat is

Jonathan Robijn

Morgan, de hoofdpersoon in de nieuwe, subtiele roman van Robijn, worstelt met zijn afkomst.

Tekening Paul van der Steen

Bij een tv-serie als The Americans heb je meteen door in welke tijd je je bevindt. Die gebreide kabeltruien, die knoeperd van een pony op het voorhoofd van de dochter, dat rotanmeubilair: overduidelijk de vroege jaren tachtig. In een roman ligt dat anders. Zeker als de schrijver ervan geen trefwoorden laat vallen als, ik noem maar wat, ‘Thatcher’, ‘krakers’ of ‘anti-kernwapenprotest’ ga je er in beginsel, ik weet niet waarom, klakkeloos van uit dat je je in het heden bevindt.

De sleutel tot een roman zit hem paradoxaal genoeg vaak juist in datgene wat ontbreekt. Zo schreef Hermans ooit in een brief aan Reve dat het hem tijdens het lezen van De avonden zo was opgevallen dat er zo weinig seks in zat, of dat het er zo weinig over ging. En nu is seks niet waar De avonden over gaat, maar dat er op dat gebied wat te halen viel bij de toen nog in de kast opgesloten Reve moge duidelijk zijn.

Ik was al een eindje op weg in Congo blues toen ik pas oog kreeg voor het schier analoge karakter van de roman. Nergens werd gerept over wifi-verbindingen of smartphones, nergens zaten mensen naar schermen te loeren, nooit werd pianist Morgan, het hoofdpersonage, thuis via een computer benaderd om ergens te komen spelen. Hier en daar ging op de pagina’s een lampje aan. Ik las over telefoons met ‘kiesschijven’, over aan te schaffen wegenkaarten, over de aankondiging dat Chet Baker binnenkort in Amsterdam zou komen spelen, over ‘een toen nog onbekende, wrede ziekte’ waaraan iemand vier jaar daarvoor overleed (aids?).

Maar dat was het dan ook wel, wat indicatoren betreft.

Congo blues is veel en zit boordevol zeggingskracht, maar juist het weergeven van een tijdsbeeld wil het niet doen. De roman speelt zich in die jaren tachtig af omdat het een ruisvrije vertelling wil zijn, omdat het Morgan alleen wil laten zijn met zijn gedachten, zonder dat er doorlopend afleiding is om hem zogenaamd te troosten of af te leiden.

Jonathan Robijn (Gent, 1970) heeft alleen een ontmoeting nodig om dit proces een aanvang te laten nemen. Op een nieuwjaarsochtend leert Morgan een vrouw kennen die beneveld op straat ligt. Hij neemt haar mee naar huis, waarna de twee aan elkaar blijven kleven. Is het een liefdesrelatie? Het wordt niet met zoveel woorden gezegd. Voor hem wordt ze een aanjager van gedachten. Ze moedigt hem met vragen aan om na te denken over zijn afkomst, ze schudt hem wakker uit de kalme, bijna comateuze geestestoestand waarin hij verkeert. Hij is nog jong maar hij heeft zijn hoogtijdagen al achter zich liggen, hij speelt deuntjes in allerlei gelegenheden, in plaats van zijn publiek in vuur en vlam te zetten met zijn spel, iets wat hij niet eens zo lang geleden nog deed.

Morgan lijkt zich er niet volledig van bewust te zijn dat hij eigenlijk zichzelf zoekt

Maar ze is een zwerfkat, zijn Simona, ze loopt even makkelijk weer zijn huis uit als dat ze er binnenloopt. En als ze op een dag voorgoed lijkt te zijn verdwenen moet hij haar achterna; Morgan lijkt zich er niet volledig van bewust te zijn dat hij eigenlijk zichzelf zoekt.

Wie is hij? Hij is een zwarte man met wortels in Congo die zich ooit, als een Don Draper avant la lettre, voornam om zijn jeugdjaren achter zich te laten, te vergeten. Maar net nu hij er zelf klaar voor is om zijn afkomst onder ogen te zien, lijken de mensen die hem van informatie kunnen voorzien niet mee te willen werken. Hij is, zoals hij uiteindelijk moedeloos constateert, iemand ‘die voor alles te laat is’.

Het is het sliertje Kafka in Congo blues, zoals er ook heel subtiel wat surrealistische tinten in zijn verwerkt. Zo subtiel dat ik moest denken aan wat David Foster Wallace ooit over de film Blue Velvet van David Lynch zei. Helemaal aan het eind van die film betreedt Jeffrey de kamer waarin een groot deel van de film zich afspeelt. In die kamer bevindt zich onder andere een man die Foster Wallace ‘the yellow man’ noemt. Hij staat recht overeind, terwijl hij even daarvoor vermoord is. Blue Velvet heeft je op dat moment al in zo’n staat gebracht dat je zonder morren accepteert dat die man daar staat of kan staan, terwijl hij morsdood is.

Zie Morgan als Jeffrey. Een keurige heer die geen echte antwoorden krijgt omdat hij zijn vragen te lang binnen heeft gehouden. Het is een wonderlijk en grillig landschap, dat van de literatuur. Opeens kan er iemand in het blikveld verschijnen, zoals in dit geval Robijn die pas zijn tweede roman aflevert, die een volwaardige subtiliteit in de pen heeft alsof hij zijn vak al jaren beoefent. Of zweeg hij eerst heel lang?