Pianiste Beatrice Rana: „We oordelen snel, we luisteren slecht. Daarom zijn concerten zo wezenlijk, want ze dwingen ons tot aandacht.”

Foto Marie Staggat

Beatrice Rana: ‘Het gaat niet om perfectie, maar om visie’

Beatrice Rana De jonge Italiaanse pianiste verbaasde Bach-kenners met de diepten van haar Goldbergvariaties. Zondag debuteert ze in de serie Meesterpianisten. „Fouten horen bij het leven. En soms werken ze zelfs bevrijdend.”

Haar ouders noemden haar, antwoordt de pianiste, naar de vrouw over wie in De Goddelijke Komedie staat dat „zij iemand in het hellevuur nog zou bekoren”. Ze heet Beatrice, naar de onbereikbare geliefde die dichter Dante Alighieri „liet beven tot in de laatste druppel van zijn bloed”. In de Middeleeuwen maakte hij het Italiaans tot een literaire en muzikale taal. In zijn canto’s bezong Dante zijn reis door hel, vagevuur en paradijs.

„In ’t midden van ons levenspad gekomen, / Kwam ik bij zinnen in een donker woud, / Want ik had niet de rechte weg genomen”, reciteert pianiste Beatrice Rana, „Ieder Italiaans kind kan deze beginregels uit La Divina Commedia dromen. Ze zitten gebeiteld in ons geheugen. Op de middelbare school krijgen we allemaal drie jaar lang les over dit boek. Evenals Dante klimmen we dan van hel naar hemel.”

Haar zwangere moeder volgde een kwart eeuw geleden een cursus Italiaanse literatuur aan de universiteit, waar ze opnieuw in Dantes verbeeldingswereld belandde. De naam voor haar dochter openbaarde zich daar. „Mijn ouders zijn ook musici. Hun leven staat in het teken van het zoeken naar schoonheid van klank. Die vonden ze in mijn naam.”

Ze deelt haar moeders liefde voor La Divina Commedia. „Ik voel me begrepen in de samenklanken van Dantes zinnen, in zijn woorden en lettergrepen – zijn taal verandert in muziek, zoals in alle grote poëzie. De mooiste regel is: ‘Amor, ch’a nullo amato amar perdona.’ Liefde, die wie bemind wordt doet beminnen.”

Vier piano’s in huis

Ze koos het instrument van haar beide ouders: de vleugel. Vier piano’s stonden er in hun huis in Lecce, de stad waar elke middag, om klokslag twaalf uur, uit de luidsprekers de stem van tenor Tito Schipa over Piazza Sant’Oronzo zweeft. Een ode aan Lecces beroemde zoon uit de eerste helft van de vorige eeuw. Zelf lijkt Beatrice Rana op weg de bekendste dochter van de stad te worden.

De 25-jarige pianiste verbaasde twee jaar geleden met haar opname van Bachs Goldbergvariaties. Ze toonde verstokte kenners verborgen schatten. Hoe kon een ongerept talent zulke nieuwe diepten ontdekken in een meesterwerk dat al door zoveel grote en gelouterde pianisten tot in het kleinste detail is bestudeerd? Ze hoorde het stuk voor het eerst op haar achtste. „Ik bracht als kind veel tijd door in de opera, bij mijn vader. Het drama op het toneel overspoelde me altijd. Maar toen, op een dag, thuisgekomen, waren er plotseling de Goldbergvariaties. En voor het eerst kreeg ik een indruk van wat waarheid was. Sindsdien lieten de noten me niet meer los.”

De architectuur ervan is groots, zegt Rana, alsof je een kerk binnenkomt, en rondzwervend het bouwplan moet doorgronden. „Want pas dan kun je alle details betekenis geven. En sprekend met anderen over de Goldbergvariaties hoorde ik steeds dat ene mantra: ‘Het is volmaakte muziek.’ In mijn ogen gaat perfectie meestal hand in hand met het kille, het onaantastbare. In Bach vond ik het tegenovergestelde: een ongelooflijk mengsel van menselijkheid en spiritualiteit. Dat was voor mij de kern die hoorbaar moest worden.”

De huidige wereld lijdt onder een masochistische zucht naar het volmaakte, vindt ze. „We oordelen snel, we luisteren slecht. Meetbare perfectie bestaat alleen digitaal. In nullen en enen. Daarom zijn concerten zo wezenlijk, want ze dwingen ons tot aandacht. In zo’n zaal neemt de bezoeker eindelijk de tijd om de noten te laten binnendringen. Een musicus wil altijd feilloos spelen, maar fouten horen bij het leven. En soms werken ze zelfs bevrijdend.”

Dat ervoer ze onlangs bij een recital van de Italiaanse pianist Maurizio Pollini. „Er verschijnen veel vileine recensies over hem. Dat hij bezwijkt onder zijn foutenlast. Ik hoorde hem voor het eerst in levenden lijve. En het was een openbaring. Natuurlijk, Pollini is geen twintig meer. Ja, ik hoorde de missers. Maar belangrijker vond ik die unieke klank, die duistere energie die nooit tot uitbarsting komt. In mij regeerde vooral de bewondering voor die obsessieve gedrevenheid. Zijn Schumann hypnotiseerde me. Pollini leerde mij andermaal dat het niet gaat om technische perfectie, maar om een visie.”

Komende zondag in de serie Meesterpianisten geeft Rana haar visie op stukken die allemaal een kant van haar instrument tonen. In Schumann schuilen literaire en symfonische krachten, in Ravel regeert het beeld, in Stravinsky het ritme. „De piano kent vele gedaanten. Hij is vaak niet zichzelf, maar roept een andere wereld op, imiteert een orkest, een zanger, een strijker of een blazer. De vleugel spreekt een niet concrete taal. Soms schildert hij de magie van licht en donker uit de kunst van Caravaggio. Een volgende keer doet hij zich voor als Manet. De meest ware en inspirerende woorden die mijn leraar mij meegaf luidden: ‘Een pianist is een illusionist.’ De verbeelding blijkt onze grootste bondgenoot.”

Beatrice Rana met Schumann, Ravel en Stravinsky. Serie Meesterpianisten. Zondag 28/1 Het Concertgebouw Amsterdam. Inl: concertgebouw.nl
    • Joost Galema